#282: Ontnemingsvorderingen en faillissementen

Alleen kennis van het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering hebben is vandaag de dag als strafrechtadvocaat onvoldoende. Ook civiele en fiscale aspecten komen regelmatig om de hoek kijken in strafrechtelijke procedures. Een voorbeeld daarvan is een recente beschikking van de raadkamer van het Gerechtshof Den Haag over het kwijtschelden van een ontnemingsvordering.

De situatie was als volgt: op 16 juni 2006 was een verplichting opgelegd aan een veroordeelde tot het betalen van een bedrag van € 285.700,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit arrest is op 1 juli 2006 onherroepelijk geworden. Op 29 september 2004 is de betreffende persoon failliet verklaard. Dit faillissement is op 18 april 2009 geëindigd na homologatie van een bereikt akkoord zoals bedoeld in artikel 161 van de Faillissementswet. Homologatie wil zeggen dat door de failliet wordt aangeboden een bepaald percentage van de vorderingen te betalen tegen finale kwijting. Een akkoord geldt alleen voor de concurrente schuldeisers. In casu was in het homologatie akkoord opgenomen dat de failliet 3,5% van de vordering diende te betalen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94d, derde lid, Wetboek van Strafvordering heeft de officier van justitie namens de Staat de bevoegdheid om ter bewaring van het recht tot verhaal van de op te leggen boete of van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel als schuldeiser in het faillissement van de veroordeelde op te komen. Zolang het bedrag van de boete of van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel nog niet vaststaat, wordt hij geacht voor een voorwaardelijke vordering op te komen. In onderhavige zaak heeft de officier van justitie zich echter niet gemeld als schuldeiser.

De advocaat van de belanghebbende stelt zich nu op het standpunt dat de officier van justitie gebonden is aan het homologatie akkoord en dat derhalve conform dit akkoord enkel 3,5% van de vordering betaald dient te worden. Het hof stelt echter vast dat de toen nog voorwaardelijke ontnemingsvordering niet is meegenomen in het faillissement en derhalve niet valt onder de werking van het gehomologeerd akkoord.

De vraag is dan vervolgens wat er gebeurt met de ontnemingsvordering van de Staat die op 1 juli 2006 onherroepelijk is geworden. Het hof gaat ervan uit dat de vordering die is ontstaan na de faillissementsdatum blijft bestaan en na afronding van het faillissement alsnog kan worden gevorderd. De vraag is of dit correct is. Het lijkt heel wrang dat vorderingen die ontstaan na faillissementsdatum en gedurende het faillissement blijven voort sluimeren alsnog na de faillissementsdatum geïnd kunnen worden. Zo wordt de gefailleerde opnieuw met een enorme schuld geconfronteerd. In het artikel ‘strafrechtelijke ontnemingsvordering in faillissement’ van prof S.C.J.J. Kortmann en mr. C. Rijckenberg staat hierover het volgende:

“Een dergelijk (lees: homologatie) akkoord is verbindend voor alle concurrente schuldeisers, ongeacht de vraag of zij al dan niet in het faillissement zijn opgekomen. Schuldeisers dienen dan genoegen te nemen met een gedeeltelijke betaling van hun vordering. De restantvordering blijft voortbestaan, maar is niet langer afdwingbaar. Voor het geval de ontnemingsvordering moet worden aangemerkt als een verifieerbare vordering betekent dit dat de officier van justitie zich daarna niet meer kan verhalen op het vermogen van de verdachte c.q. veroordeelde”.

Dit betekent dat moet worden nagegaan wanneer een ontnemingsvordering een verifieerbare vordering is. In paragraaf 3.3. van datzelfde artikel staat dat een ontnemingsvordering verifieerbaar is als deze aanhangig is gemaakt. Deze hoeft dus niet onherroepelijk vast te staan. Uit de beschikking volgt niet wanneer de ontnemingsvordering voor het eerst aanhangig is gemaakt. De juistheid  van deze beslissing kan aldus in twijfel worden getrokken.

Gelukkig biedt artikel 577b, lid 2, Sv een uitweg en kan een verzoek worden ingediend tot vermindering of kwijtschelding van de schuld. Ook in de onderhavige zaak stelt het hof vast dat gelet op de draagkracht en leeftijd van de belanghebbende de ontnemingsvordering wordt kwijtgescholden tot aan het bedrag wat de belanghebbende tot nu toe had betaald.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie