#323: Onredelijke inbreuken op mensenrechten

In diverse Vaklunches hebben wij aandacht gevraagd voor de lange duur van een strafrechtelijk onderzoek en het effect op iemands leven daarvan. Het is niet voor niets dat artikel 6 EVRM een verdachte het recht geeft op een openbare zitting voor een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank binnen een redelijke termijn. De vraag is welke middelen heeft een verdachte om dit recht te effectueren. In Vaklunch #281 hebben wij aangegeven dat een van de mogelijkheden is een verzoek in te dienen om de zaak te beëindigen op basis van artikel 36 Wetboek van Strafvordering. Advocaat-Generaal Knigge heeft nu in een vergelijkbare zaak cassatie in het belang der wet ingediend om van de Hoge Raad een oordeel te krijgen op de vraag of artikel 36 Sv hiervoor is bedoeld.

Wat onder een redelijke termijn wordt verstaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hangt af van i) de ingewikkeldheid van de zaak; ii) de invloed van de verdachte of zijn raadsman op het procesverloop en iii) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is afgehandeld. Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Gelet op deze duidelijke jurisprudentie van de Hoge Raad is het de vraag of het recht van vervolging door het Openbaar Ministerie kan worden ontnomen vanwege een schending van de redelijke termijn op grond van artikel 36 Sv. Rechtbanken lijken deze vraag op uiteenlopende wijze te beantwoorden. Dit is reden voor Advocaat-Generaal Knigge om deze rechtsvraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Dit is overigens niet de enige rechtsvraag die wordt behandeld in de vordering tot cassatie in het belang der wet. De vordering heeft ook betrekking op de vraag of artikel 36 Sv toepassing kan vinden als de officier van justitie geen rechter in de zaak heeft betrokken? En of artikel 36 Sv toepassing kan vinden na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting? Voor de visie van Advocaat-Generaal Knigge hierop verwijzen wij graag naar de vordering.

Voor de beantwoording van de vraag of een overschrijding van de redelijke termijn grond oplevert voor de toepassing van artikel 36 Sv zet Advocaat-Generaal Knigge eerst de ontwikkelingen uiteen die zich in de wetgeving en de jurisprudentie hebben voorgedaan met betrekking tot de functie van artikel 36 Sv. Daarbij is met name de vraag of het hanteren van een overschrijding van de redelijke termijn als beoordelingsmaatstaf bij de toepassing van art. 36 Sv in overeenstemming is te brengen met het standpunt van de Hoge Raad dat een overschrijding van de redelijke termijn nimmer grond kan opleveren om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging.

Advocaat-Generaal Knigge komt tot de conclusie dat sanctionering van een onredelijke vertraging in opsporing en vervolging door middel van een verklaring dat de zaak is geëindigd in strijd is met de jurisprudentie van de Hoge Raad. De geëigende weg om je als een verdachte te verzetten tegen een onnodig lang opsporingsonderzoek of het uitblijven van een vervolging is de volgende. Op verzoek van de verdachte kan de rechter-commissaris op grond van artikel 180, lid 3, Sv de officier van justitie een termijn stellen om het opsporingsonderzoek te beëindigen. Artikel 267 Sv heeft een vergelijkbare functie indien de officier van justitie een dagvaarding uitvaardigt maar vervolgens weer intrekt. In een expliciete sanctie op verzuim van deze termijn voorziet de wet niet. Daarom geldt volgens de Advocaat-Generaal dat artikel 36 Sv als stok achter de deur kan dienen. In dat verzuim kan de rechter-commissaris reden vinden om de zaak aan de rechtbank voor te leggen, die dan kan verklaren dat de zaak geëindigd is. Die verklaring is in dat geval geen sanctie op een overschrijding van de redelijke termijn als zodanig, maar op het overschrijden van de gestelde termijn. Dat is dan volgens de Advocaat-Generaal verenigbaar met de jurisprudentie van de Hoge Raad over de redelijke termijn.

Ons inziens doet dit stappenplan enigszins gekunsteld aan. Waarom moet de officier van justitie nog een laatste kans krijgen na een onredelijk lange overschrijding van de termijn? Is de overschrijding van een gestelde termijn door de rechter-commissaris ernstiger dan een inbreuk op het mensenrecht van de verdachte op grond van artikel 6 EVRM. Wij menen dat het aan een magistratelijk Openbaar Ministerie is om de grondrechten van artikel 6 EVRM in ogenschouw te nemen en te beschermen. Als een officier van justitie een zaak onredelijk lang laat liggen, wat is dan nog het belang van een vervolging? En kan überhaupt zoveel jaar na dato nog wel aan waarheidsvinding worden gedaan? Wij menen dat artikel 36 Sv een belangrijke functie heeft bij de bescherming van artikel 6 EVRM bij een inactieve of trage opsporing. Wij hopen dat de Hoge Raad daar oog voor heeft.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie