#423: Omarm het una via-beginsel

Het Openbaar Ministerie is druk bezet. Niet alle kwesties die onderzocht zouden kunnen worden, worden opgepakt.  Soms uit opportuniteitsoogpunt, maar ook vanwege gebrek aan capaciteit. Door het strafrecht enkel in te zetten als ultimum remedium kan die capaciteit ons inziens beter worden benut. Deze gedachte ligt in zekere zin ook vervat in het una via-beginsel. De praktijk lijkt echter weerbarstig op dit punt. Nog altijd worden zaken vervolgd door het Openbaar Ministerie waarvoor reeds een fiscale boete is opgelegd. Dat leidt – ons inziens geheel terecht – tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De capaciteit voor dat onderzoek had dus beter kunnen worden ingezet en de betrokkene had een strafrechtelijk procedure, met alle mogelijke gevolgen van dien (zie Vaklunch #398), bespaard kunnen worden. Waarom beslist het Openbaar Ministerie dan toch dergelijke zaken te vervolgen?

Omwille van de rechtszekerheid kan een strafrechtelijke vervolging niet samen gaan met een bestuurlijke beboeting voor hetzelfde fiscale delict. Het una via-beginsel dwarsboomt de bestuurlijke beboeting als de strafrechtelijke vervolging is aangevangen en vice versa. Het una via-beginsel is zowel in het Wetboek van Strafvordering (Sv) als in de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) vastgelegd. De mogelijkheid om een boete op te leggen vervalt op basis van artikel 5:44 lid 1 Awb wanneer de belasting- of inhoudingsplichtige vanwege hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd. Voor de omgekeerde situatie geldt dat bevoegdheid voor het instellen van strafvervolging vervalt als reeds een bestuurlijke boete is opgelegd op basis van artikel 243, lid 2, Sv.

Na een periode van stilte is het una via-beginsel in de jurisprudentie van de afgelopen jaren gelukkig weer luid en duidelijk aanwezig. Over het arrest van hof Den Bosch van 4 juni 2019 schreven we al in Vaklunch #326. Op 13 april 2021 volgde wederom een niet-ontvankelijkverklaring door hof Den Bosch van het Openbaar Ministerie vanwege schending van het una via-beginsel.

In het arrest van 13 april 2021 ging het om een zaak waarin de betrokkene werd vervolgd op basis van artikel 69a AWR voor het opzettelijk (gedeeltelijk) niet betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan. Hiervoor bleek de betrokkene echter ook al verzuimboetes ex artikel 67c AWR opgelegd te hebben gekregen. Het hof oordeelt dat het onmiskenbaar om beboeting voor hetzelfde feit gaat. Nu het Openbaar Ministerie niet beschikte over een machtiging van de rechter-commissaris in de zin van artikel 255, lid 4, Sv, waaruit blijkt dat na de beboeting is gebleken van “nieuwe bezwaren” die vervolging rechtvaardigen, is er maar één conclusie mogelijk. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Overigens doet het hof er nog een schepje bovenop. In een overweging ten overvloede voegt het hof aan het oordeel toe dat als de vervolging al ontvankelijk zou zijn, de betrokkene zich had kunnen beroepen op de strafuitsluitingsgrond van artikel 69a, lid 3, AWR. De belastingplichtige had de Belastingdienst immers tijdig verzocht om uitstel van betaling, waarop ten tijde van de zitting nog niet was beslist. Hangende een dergelijk verzoek dient de Ontvanger conform de Leidraad Invordering te handelen “als ware uitstel verleend”. De belastingplichtige kan aldus niet worden verweten niet (tijdig) te hebben betaald.

Waarom het Openbaar Ministerie dergelijke zaken dan toch vervolgt? Naar het antwoord kunnen wij enkel gissen. Mogelijk wordt daarmee extra druk gecreëerd om belasting op aangifte te voldoen. Of is het veroorzaakt door het gebrek aan betekenis van het una via-beginsel in oudere jurisprudentie? Of is het wellicht slordigheid? Wij zien in de praktijk wel dat het Openbaar Ministerie bij de start van een strafrechtelijk onderzoek simpelweg niet heeft gecontroleerd of (verzuim)boetes zijn opgelegd door de Belastingdienst. Ook niet in gevallen waarin het voor de hand ligt dat sprake is van dergelijke boetes. Of probeert men toch maar gewoon te vervolgen ondanks de reeds opgelegde boetes, desnoods ook voor een (al dan niet kunstmatig) ander feit?

Wat daar ook van zij, dergelijke onderzoeken zijn simpelweg onnodig en richten onnodig schade aan. De betrokkene is al beboet. Waarom zou je iemand dan alsnog willen vervolgen zonder goede redenen (de “nieuwe bezwaren”)? Het Openbaar Ministerie kan niet alleen zorgvuldiger met het una via-beginsel omgaan, daar is het ons inziens ook toe verplicht op basis van beginselen van behoorlijk bestuur. Daar is niet alleen de betrokkene die een onnodig onderzoek wordt bespaard bij gebaat, het zal ook de capaciteit van het Openbaar Ministerie ten goede komen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie