#366: Morele corruptie

Fraudebestrijding is al jarenlang een stokpaardje van de overheid. Dat geldt voor het Openbaar Ministerie, maar ook voor de Belastingdienst. Met het doel om fiscale fraude te bestrijden is op zichzelf niets mis. Regels zijn immers gesteld om nageleefd te worden. Zolang het doel van fraudebestrijding niet alle middelen heiligt, verloopt het in de regel op een goede manier. Maar als alle middelen worden ingezet om het doel te bereiken ontstaan er gemakkelijk grote problemen. Zo ging het in de zogenaamde Toeslagenaffaire gruwelijk mis bij de Belastingdienst.

Vorige week berichtte Trouw dat de Belastingdienst jarenlang een minimumtarget voor het terugvorderen van de toeslagen als gevolg van fraude hanteerde. Als het target niet gehaald dreigde te worden, werden er maatregelen genomen: In de zomer van 2018 waarschuwt die dienst dat ‘de minimale opbrengst van de business case Fraude (25 miljoen)’ niet wordt gehaald. Daarop worden de teugels aangetrokken: de dienst gaat tweeduizend extra toeslaggerechtigden bij wie zij een hoger risico op fraude vermoedt aan een intensieve controle onderwerpen. Ook de manier waarop toeslaggerechtigden behandeld worden, moet ‘een hogere opbrengst genereren’.” De mate van fraudebestrijding wordt daardoor gebaseerd op een financiële prikkel. In het eindadvies van de Commissie Donner getiteld “Omzien in verwondering 2” is beschreven dat het minimumbedrag is ontstaan als financieringssysteem voor de controle op de toeslagen. Daarbij wordt benoemd dat dit in de periode 2012 tot 2015 niet ongebruikelijk was. Extra inzet van menskracht op het punt van handhaving en bestrijding van fraude en georganiseerd misbruik – let wel: ook een paradepaardje van de politiek – moest zichzelf terugverdienen, ofwel een kostendekkend systeem.

Volgens de commissie is dit een volstrekt oneigenlijke prikkel bij de handhaving. De commissie windt er geen doekjes om: Wanneer een individuele ambtenaar zijn inkomen moet aanvullen uit boetes die hij oplegt, dan heet dat corruptie. Deze wijze van financiering levert bij overheidsorganisaties een vorm van morele corruptie op. Men krijgt er institutioneel belang bij dat zoveel mogelijk uitkeringen of toeslagen worden gekort om geen tekorten op de begroting te krijgen, waarbij de zorgvuldige en evenwichtige behartiging van de toevertrouwde publieke belangen welhaast automatisch in de knel komt.” Dat zijn stevige aantijgingen.

Uiteraard is het grootste belang in deze Toeslagenaffaire dat de betrokkenen zo snel mogelijk en zo goed mogelijk gecompenseerd worden. Zij zijn de slachtoffers van dit debacle. Daarnaast is het van belang om vast te stellen dat deze werkwijze niet meer wordt gehanteerd. Een woordvoerder van de staatssecretaris van Financiën heeft laten weten dat sinds een jaar niet meer ‘gestuurd’ wordt op een vooraf bepaalde opbrengst bij handhaving en dat “een bedrag aan fraude binnenhalen nooit de doelstelling van Toeslagen [kan] zijn”.

Maar ook andere lessen moeten geleerd worden. Hoe had dit corrumperende beleid eerder ontdekt kunnen worden? Als een boete voortvloeit uit dit beleid, moeten de beleidsregels dan per definitie in het boetedossier worden opgenomen zodat het ten minste aan een rechterlijke toets onderworpen kan worden? Moet er een toezichtsorgaan in het leven worden geroepen? Moeten medewerkers van de Belastingdienst beter getraind worden op het vroegtijdig herkennen van dergelijke misstanden? En zorgt dit ervoor dat het niet weer gebeurt? Of zijn drastischer maatregelen waar ook een preventieve werking van uitgaat daarvoor geschikter? De Commissie Donner heeft de bal voor het Openbaar Ministerie in ieder geval op de stip gelegd.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je met ons van gedachten wisselen? Neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie