#408: (Mede-)gebruik van valse geschriften

Op 1 februari 2021 heeft de Rechtbank Amsterdam een interessant vonnis gewezen. De kern van de zaak ziet onder meer op de vraag of de verdachten onjuiste informatie aan de accountant hebben verstrekt door middel van valse geschriften, waardoor de accountant onjuiste jaarrekeningen zou hebben opgesteld. Hoewel het vonnis diverse interessante aspecten kent, viel ons oog op de overwegingen van de rechtbank over het gebruik van valse geschriften in relatie tot medeplegen.

Artikel 225 Sr bevat twee vormen van valsheid in geschrifte. Enerzijds het valselijk opmaken van documenten met het oogmerk tot gebruik daarvan en anderzijds het gebruik maken (of afleveren/voorhanden hebben) van valse geschriften. In de onderhavige zaak was het feit uit het tweede lid, het daadwerkelijk gebruik maken van valse geschriften, ten laste gelegd. Het gaat om ‘Letter(s) of Representation’ (hierna: LOR) waarin het bestuur van een onderneming bevestigt dat zij verantwoordelijk is voor de jaarrekeningen en de financiële verantwoording een getrouwe weergave bevat in overeenstemming met de van toepassing zijnde grondslagen voor verslaggeving. De rechtbank stelt vast dat de LOR’s op diverse punten geen juiste weergave zijn van de werkelijkheid en dus vals zijn.

De vraag is vervolgens: door wie is van deze brieven gebruik gemaakt? De rechtbank stelt vast dat gebruik wordt gemaakt van deze brieven door het toezenden aan de accountant. Pas op dat moment kan aldus worden gesproken van gebruikmaking van het document. De vervolgstap is dan om te beoordelen wie hierbij betrokken is.

De rechtbank constateert dat de verdachte de brieven niet heeft ondertekend en/of heeft overhandigd/toegezonden aan de accountant. De rechtbank stelt daarom de vraag of in dat geval kan worden gesproken van medeplegen aan het gebruik maken van de LOR’s. De rechtbank stelt vast dat de verdachte blijkens de mailwisseling wel op de hoogte was van de LOR’s maar dit is onvoldoende om medeplegen te bewijzen. Van medeplegen is enkel sprake indien komt vast te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van de verdachte moet daarin van voldoende gewicht zijn. Hiervoor is het onvoldoende dat iemand op de hoogte van het bestaan van een document was.

Het is aan het Openbaar Ministerie om te bewijzen door wie bepaalde documenten zijn gebruikt en wat de betrokkenheid van de diverse personen daarbij is. Dit vergt een secure bewijsconstructie en kan niet worden volstaan met een redenering over hetgeen dat zou zijn gebeurd zonder dat de afzonderlijke betrokkenheid van de verdachten in beeld wordt gebracht.

Een kritische blik op de diverse bestanddelen van valsheid in geschrift, maar met name ook op de rol van de diverse betrokkenen, is dus cruciaal en pakt in deze zaak goed uit.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie