#641: Lange slagen, snel thuis?
In een recente conclusie gaat advocaat-generaal Van Kempen in op de toerekening van strafbare gedragingen aan rechtspersonen en op de vraag onder welke omstandigheden het opzet van rechtspersonen op deze strafbare gedragingen kan worden vastgesteld. De advocaat-generaal beoordeelde de motivering van het hof in een zaak waarin verschillende uitzendbureaus verdacht werden van het opzettelijk niet doen van de vereiste belastingaangiftes en daarnaast indienen van foutieve nihilaangiftes. De advocaat-generaal legt hierbij de bewijslast onzes inziens te laag.
In Vaklunch #564 schreven wij al over de toerekening van gedragingen aan de rechtspersoon. Met het toerekenen van een strafbare gedraging aan een rechtspersoon, staat bij die rechtspersoon echter nog niet het opzet op die gedraging vast. Voor een bewezenverklaring is ook (voorwaardelijk) opzet vereist. En dit geldt ook voor rechtspersonen. Er zijn verschillende manieren waarop het opzet van een rechtspersoon kan worden vastgesteld.
Volgens de Hoge Raad kan het opzet van een natuurlijke persoon onder omstandigheden aan een rechtspersoon worden toegerekend. De wetgever heeft overwogen dat dit mede afhangt van de interne organisatie van de betreffende rechtspersoon. Volgens de wetgever vindt die toerekening eerder plaats als de natuurlijke persoon een bestuurder is dan als het een ‘in de organisatie van de rechtspersoon ondergeschikte functionaris’ betreft. Verder kan het opzet van een rechtspersoon onder omstandigheden (mede) worden afgeleid uit ‘het beleid van de rechtspersoon’ of ‘de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon’, aldus de Hoge Raad.
Maar dan terug naar de conclusie. In deze zaak heeft het hof voor het bewijs van opzet als relevante omstandigheid aangemerkt dat is nagelaten om belastingaangifte te doen respectievelijk dat foutieve nihilaangiftes zijn gedaan, terwijl vaststaat dat door namens de vennootschappen uitgeleende uitzendkrachten bij een inlener werkzaamheden zijn verricht. Ten tweede beoordeelt de advocaat-generaal de gebrekkige wijze waarop de bestuurder van de uitzendbureaus – een natuurlijk persoon – de loonadministratie heeft verzorgd en uitbesteed, als een voor het bewijs van het opzet relevante omstandigheid. De advocaat-generaal koppelt deze gebrekkige administratie aan ‘de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon’ waaruit het opzet volgens hem kan worden afgeleid. Ten derde wordt van belang geacht dat de bestuurder de administratie van de vennootschappen niet volledig in bezit had en deze op verzoek niet had verstrekt. Op grond van het voorgaande komt de advocaat-generaal tot de slotsom dat het bewezenverklaarde opzet van de uitzendbureaus in voldoende mate uit de door het Gerechtshof gehanteerde bewijsvoering kan worden afgeleid.
Van de drie omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan de bewezenverklaring van het opzet bij de uitzendbureaus, benoemt de advocaat-generaal slechts bij één dat deze volgens hem onder de ‘feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon’ valt. Bij de andere twee genoemde omstandigheden blijft onduidelijk of het opzet volgens de advocaat-generaal aan de uitzendbureaus kan worden toegerekend, dan wel dat het opzet kan worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon. Of dat de advocaat-generaal wellicht een alternatieve route op het oog heeft; de hiervoor genoemde manieren om opzet bij een rechtspersoon vast te stellen zijn immers niet-limitatief. Op deze wijze is totaal niet inzichtelijk op welke gronden in het ene geval opzet wel wordt aangenomen en in het andere geval niet. Daarmee ligt willekeur op de loer. Bovendien volgt deze motiveringsplicht ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad: hieruit volgt dat het Gerechtshof voldoende duidelijk moet maken op grond van welke feiten en omstandigheden (voorwaardelijk) opzet kan worden aangenomen. Dit houdt concreet in dat per belastingaangifte en per vennootschap het bewijs voor opzet dient te worden geleverd.
De motivering van de conclusie dat sprake is van opzet komt slechts neer op een beschrijving van de strafbare gedragingen en het opzet van de natuurlijke persoon, gevolgd door een nauwelijks gemotiveerde gevolgtrekking ten aanzien van het opzet van de rechtspersoon. Geenszins wordt gemotiveerd op basis waarvan volgens de advocaat-generaal bewezen kan worden dat de vastgestelde gedragingen van de bestuurder tot opzet bij de rechtspersonen leiden. Het vereiste dat niet alleen de gedraging zelf maar ook het opzet van de rechtspersoon moet komen vast te staan dreigt hiermee een wassen neus te worden.
Of in een specifiek geval opzet kan worden vastgesteld bij een rechtspersoon is sterk casuïstisch. Juist vanwege het casuïstische karakter ervan dient ook het aanwezig achten van opzet van een rechtspersoon steeds gedegen te worden gemotiveerd. Het toepassingskader om opzet te kunnen aannemen mag niet worden gereduceerd tot een serie hokjes die simpelweg even afgevinkt moeten worden. Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat ‘genoegzaam’ uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat bij de uitzendbureaus sprake is geweest van opzet. Wat ook zij van de gedragingen en het opzet van de bestuurder, noch uit de uitspraak van het Gerechtshof noch uit de conclusie van de advocaat-generaal blijkt duidelijk op welke gronden. De bal ligt nu bij de Hoge Raad. Wij kijken hier met belangstelling naar uit.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via [email protected].

No Comments