#319: Koude uitsluiting ≠ verhaalsfrustratie

Meerdere keren hebben wij onze frustratie geuit over hoe makkelijk in Nederland conservatoir beslag wordt gelegd door het Openbaar Ministerie. Voorbeelden zijn terug te vinden in Vaklunch #185 en #260. De gevolgen van een beslag kunnen immers enorm groot zijn, in het ergste geval overleeft een bedrijf het niet. Tegen het beslag kan een klaagschrift ex artikel 552a Sv worden ingediend. Hoewel de toetsing slechts marginaal is liggen er nog altijd kansen en mogelijkheden om succesvol te klagen over het beslag. Om die reden brengen wij graag een beschikking van de rechtbank Amsterdam onder de aandacht waarbij het klaagschrift gegrond is verklaard.

In deze zaak was beslag gelegd op het woonhuis van de echtgenote van de verdachte. In de strafzaak tegen verdachte is een machtiging conservatoir beslag verleend door de rechter-commissaris. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het voortduren van het beslag in het belang is om in de toekomst een eventuele ontnemingsvordering te kunnen innen. Tevens kan een geldboete worden opgelegd voor de misdrijven ten aanzien waarvan een verdenking bestaat, aldus de officier van justitie.

Hoewel het Openbaar Ministerie niet betwist dat het juridische eigendom in handen is van de echtgenote van de verdachte, stelt het Openbaar Ministerie dat het feitelijke eigendom bij de verdachte ligt. Daartoe voert de officier van justitie aan dat de verdachte en klaagster zijn getrouwd in 1964 en sinds 1978 in koude uitsluiting zijn getrouwd. De officier stelt verder dat de echtgenote niet het vermogen heeft om het onroerend goed aan te kopen en dus ook nooit een hypotheek had ontvangen zonder haar man. Er zou daarom sprake zijn van verhaalsfrustratie.

De rechtbank zet eerst het juridische kader uiteen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad. Indien beslag is gelegd onder een derde dient allereerst vast komen te staan dat zich een geval voordoet waarbij de derde buiten redelijke twijfel de eigenaar is. Indien dit het geval is dient te worden beoordeeld of zich een geval voordoet als omschreven in artikel 94a, lid 4 of lid 5, Sv. In deze zaak is de vraag of zich hier de situatie van artikel 94a, lid 4, Sv voordoet, namelijk dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de woning aan de echtgenote is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat de echtgenote dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.

De rechtbank oordeelt dat het overeenkomen van een huwelijksgoederenregime met een vermogensconstructie, waarbij de zakelijke aansprakelijkheid van het bedrijf van verdachte wordt beperkt om te voorkomen dat het privévermogen kan worden aangesproken voor de schulden, een wijze van handelen tussen echtgenoten is die maatschappelijk algemeen aanvaard is en geen onrechtmatig karakter heeft. Een dergelijk regime en/of constructie is daarom op zichzelf onvoldoende om te gelden als verhaalsfrustratie in de zin van artikel 94a, vierde of vijfde lid. Sv. De rechtbank voegt hieraan toe dat in deze zaak de koude uitsluiting al een lange aaneengesloten tijd bestond. Wellicht was het dus anders geweest als de verandering in het huwelijksvermogensregime heel recent was gewijzigd en er aanleiding was te veronderstellen dat die verandering verband hield met het voorkomen dat beslag op het vermogen zou worden gelegd. Bovendien, zo oordeelt de rechtbank, is het feit dat de constructie financieel mogelijk of wenselijk was mede vanwege de verdiensten of kredietmogelijkheden van het bedrijf niet een omstandigheid die dit anders maakt.

Een belangrijke beslissing van het de rechtbank Amsterdam dus waarin duidelijk is gemaakt dat koude uitsluiting niet zondermeer hoeft te betekenen dat sprake is van verhaalsfrustratie.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie