#073: Haastige spoed en de responsieplicht

De responsieplicht vloeit voort uit het tweede lid van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. De responsieplicht houdt in dat de rechter eerst verplicht is te reageren op een verweer van de verdediging indien dat is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Met name gelet op een eventueel cassatieberoep is het van belang hiervoor aandacht te hebben. De Hoge Raad oordeelde in het arrest van 11 april 2006 dat sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt indien het ingenomen standpunt duidelijk is, door argumenten onderbouwd, een ondubbelzinnige conclusie betreft en ten overstaan van de feitenrechter naar voren wordt gebracht. Een helder overzicht. Maar het laatste punt levert in de praktijk nog wel eens frictie op. De verdediging die aan de eisen van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wenst te voldoen wordt in de praktijk nogal eens geconfronteerd met een (te) strakke planning van de rechtbank of het hof.

Zittingstijd is een schaars en kostbaar goed. Gerechten springen daar derhalve terughoudend mee om. Zittingsdagen worden zorgvuldig gepland en daarbij wordt gewaakt dat er geen zittingscapaciteit onbenut blijft. Deadlines zijn daardoor ook de gerechten niet vreemd. Een (te) strakke planning, al dan niet door eerder op de dag uitgelopen zittingen, brengt echter vaak ook tijdsdruk met zich. Onder omstandigheden kan daardoor het laatste vereiste van het geven van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het gedrang komen. Een vrije interpretatie van het spreekwoord doet vermoeden dat haastige spoed niet in het belang van de cliënt zal zijn.

Met name in de omvangrijkere strafzaken is het gebruikelijk om het pleidooi op schrift te stellen en te overleggen aan het gerecht. Daarmee beschikken de rechters over standpunten die door argumenten zijn onderbouwd en waar een ondubbelzinnige conclusie aan verbonden is. In omvangrijke zaken kan het echter van groot belang zijn om de pleitaantekeningen voorafgaand aan de zitting aan de rechters en het openbaar ministerie bekend te maken. Op die manier heeft de rechter bij de voorbereiding van een zitting ook de ontlastende argumenten tot zijn beschikking naast het belastende politie dossier. Daarnaast kunnen in een dergelijk document bewijstechnische verweren aan de orde worden gesteld, zodat de inhoudelijke behandeling ter zitting gericht kan worden op de kern van de zaak en de overtuiging van de rechter(s). Met name in strafzaken spelen emoties en nuances die zich niet laten uitdrukken op papier. Juist ter zitting wordt de discussie beslecht als het aan komt op overtuiging.

De vraag die speelt is echter of dit  vooraf ingestuurde document op de zitting alsnog moet worden voorgedragen? Gelet op de eis van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat deze ‘ten overstaan van een rechter naar voren moet worden gebracht’ lijkt dit het geval. Dit roept in sommige gevallen negatieve emoties op bij rechters die de kostbare tijd voorbij zien tikken, terwijl zij het pleidooi reeds op schrift hebben ontvangen.

Het is aan de verdediging om de rechters geboeid te houden en te prikkelen aandachtig naar het pleidooi te luisteren. Dat neemt niet weg dat ook daar de nodige tijd mee gemoeid gaat die de rechters simpelweg niet altijd hebben gekregen van de planningsafdeling. De verdediging moet er in een dergelijk geval niet voor terugdeinzen de rechten van de verdachte op te eisen en de kans te nemen de standpunten uitdrukkelijk te onderbouwen ter zitting. Daar zit wel een ‘maar’ aan. Want is het verstandig op die manier te acteren? Het ‘tegen de haren instrijken’ van de rechters is voor het dienen van het belang van je cliënt over het algemeen niet de meest geëigende weg. Een deel van de oplossing ligt juist in het vooraf aan de rechters toezenden inhoudelijke verweren. Dit gebeurt in de praktijk steeds meer. Toch blijft het issue van het ‘ten overstaan van de feitenrechter’ naar voren brengen van de standpunten daarmee niet verholpen, tenzij een zekerheid wordt verkregen dat het de vooraf toegezonden verweren als ‘herhaald en ingelast’ worden beschouwd. Zolang dat niet het geval is wordt vaak het zekere voor het onzekere verkozen en worden de verweren ter zitting nog eens herhaald.

In het discussiestuk ‘onderzoek ter terechtzitting’ is in het kader van het nieuwe Wetboek van Strafvordering het versimpelen van de eisen van de responsieplicht opgenomen. Wellicht kan de wijze waarop de verweren kenbaar gemaakt moeten worden als agendapunt worden toegevoegd. Als de responsieplicht ook zou gelden voor schriftelijk gevoerde argumenten dan levert dit ons inziens tijdsbesparing op. Daar is de proceseconomie mee gediend, maar zeker ook de zorgvuldigheid van het onderzoek.

Wat is jouw ervaring? Ben je wel eens tijdens een pleidooi ‘afgekapt’ terwijl noodzakelijke punten nog niet aan de orde waren geweest? Hoe heb je dat opgelost?

Geen reacties

Plaats een reactie