#375: Een gemankeerd onderzoek

Wanneer is het opportuun om een verdachte te vervolgen? Het is een vraag die wij in Vaklunch regelmatig stellen. In dit kader komt in Vaklunch #245 het verbod van willekeur aan de orde en in Vaklunch #235 het vertrouwensbeginsel. In een recent vonnis van de Rechtbank Amsterdam komt de opportuniteit ook om de hoek kijken, maar dan in verband met een overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met een gemankeerd onderzoek.

Het opportuniteitsbeginsel is vastgelegd in artikel 167 Sv. Daarin is opgenomen: ‘Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het Openbaar Ministerie van oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zo spoedig mogelijk over’. Op gronden van algemeen belang kan het Openbaar Ministerie van vervolging afzien. Het Openbaar Ministerie beslist dus in beginsel wanneer wordt vervolgd. De Hoge Raad heeft eerder al overwogen dat in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie omdat vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Van een dergelijk geval is niet snel sprake.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Een overschrijding van de redelijke termijn in combinatie met andere factoren kan echter wel tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

In de zaak die diende voor de Rechtbank Amsterdam ging het om een witwaszaak. Ten behoeve van deze witwaszaak moesten getuigen in Dubai worden gehoord. In 2015 bleek echter dat dit niet binnen een aanvaardbare termijn mogelijk was. Vervolgens heeft de strafzaak stilgelegen. De officier van justitie geeft aangegeven dat uit het oogpunt van capaciteit en opportuniteit is besloten geen nader onderzoek te doen.

De rechtbank oordeelt dat het niet langer opportuun is de onderhavige zaak te vervolgen en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. De rechtbank erkent dat het lange tijdsverloop onvoldoende is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. Echter, er zijn ook andere omstandigheden die meewegen. De rechtbank hecht veel waarde aan het feit dat het onderzoek niet voltooid is en dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven hier geen capaciteit meer in te willen investeren. Een ander punt is dat de rechtbank verwacht dat ingeval de zaak tot een veroordeling zou leiden, de strafoplegging minimaal zou zijn mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.

De beperkte capaciteit van het Openbaar Ministerie is in fraudezaken regelmatig een probleem. Het gebeurt vaker dat het benodigde onderzoek achterwege blijft maar dat de betrokkene al die tijd de status ‘verdachte’ met zich mee draagt. Wij menen dat het signaal van deze rechtbank een juiste is: genoeg is genoeg. Een gemankeerd onderzoek is onacceptabel in combinatie met capaciteitsproblemen en een grove schending van de redelijke termijn. De enige juiste consequentie is ons inziens dan ook niet-ontvankelijkheid.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

Geen reacties

Plaats een reactie