#028: Geld maakt gelukkig…

“Geld maakt niet gelukkig”, luidt een bekend gezegde. Waarop Simon Carmiggelt ooit reageerde: “Dat heeft het dan gemeen met armoede.” De vraag wat de mens gelukkig maakt is een eeuwen oud vraagstuk waar filosofen zich het hoofd over hebben gebroken en breken. Is de stelling dat geld niet gelukkig maakt vooral een elitaire aangelegenheid of kunnen mensen met minder of geen  geld echt meer van de kleine dingen van het leven genieten? Gerechtshof Amsterdam is kennelijk van mening dat geld wel gelukkig maakt. Op 25 juli 2013 heeft het Hof geoordeeld dat een belanghebbende geen recht heeft op een forfaitaire immateriële schadevergoeding indien de redelijke termijn is overschreden, maar het belastinggeschil slechts over een klein bedrag van in dit geval € 14,- gaat. Daarbij nam het Hof in overweging dat de belanghebbende ook al tweemaal geen griffierechten heeft hoeven voldoen.

De behandeling van een fiscaal geschil dient op grond van artikel 6 EVRM binnen een redelijke termijn plaats te vinden zodat een belastingplichtige niet te lang in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn zaak. Bij de beoordeling van de vraag of bij belastinggeschillen de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005.  Dat betekent dat de redelijke termijn begint te lopen vanaf het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de bezwaar- en beroepsfase een redelijke termijn geldt van 2 jaren.

De rechter heeft op grond van het bepaalde in artikel 8:73, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid uitspraak te doen in het belastinggeschil en in die uitspraak te bepalen dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek tot schadevergoeding het onderzoek wordt heropend en wordt voortgezet op een door hem te bepalen wijze. Een mogelijke schadevergoeding houdt verband met de spanning en frustratie die de lange behandelduur met zich meebrengt. De hoogte van de schadevergoeding bedraagt in beginsel € 500,- voor elk half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.

Volgens vaste rechtspraak – zie ondermeer ABRvS 25 mei 2011 – geldt voor de berekening wegens overschrijding van de redelijke termijn als uitgangspunt een forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn overschreden is.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft criteria opgesteld bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade. Zo heeft het EHRM in Pizzati v. Italië geoordeeld:

“2. Criteria specific to non-pecuniary damage

-26. As regards an equitable assessment of the non-pecuniary damage sustained as a result of the length of proceedings, the Court considers that a sum varying between EUR 1,000 and 1,500 per year’s duration of the proceedings (and not per year’s delay) is a base figure for the relevant calculation. The outcome of the domestic proceedings (whether the applicant loses, wins or ultimately reaches a friendly settlement) is immaterial to the non-pecuniary damage sustained on account of the length of the proceedings.”

Ook in de Europese jurisprudentie zien we dus dat een vast bedrag het uitgangspunt vormt. Een matiging kan wel redelijk zijn vanwege de matigende invloed die het gezamenlijk maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die belanghebbenden als gevolg van de te lang durende procedure hebben ondervonden. Zo kan bijvoorbeeld voor een belastinggeschil van meerdere belanghebbenden slechts één keer € 500,- per half jaar worden toegekend wat dan verdeeld moet worden onder de betreffende belanghebbenden. Deze gang van zaken wordt ook erkend door het EHRM. Het Hof oordeelde op 15 februari 2008 in de zaak van Arvanitaki-Roboti en 90 anderen tegen Griekenland dat gezamenlijk procederen aanleiding kan geven tot matiging van de schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.

Wij vragen ons echter af of de hoogte van het bedrag dat ten grondslag ligt aan het geschil van invloed mag zijn op de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Heeft de hoogte van het bedrag werkelijk invloed op de spanning en frustratie die een procedure met zich meebrengt? Allereerst is dit een relatief gegeven en is dit afhankelijk van de omvang van iemands vermogen. Daarnaast kunnen mensen zich behoorlijk frustreren over het idee dat zij niet rechtvaardig worden behandeld. Het bedrag is dan bijzaak. Misschien is dit juist het geval in de zaak van het hof van 25 juli 2013. Want waarom zou iemand over 14 euro procederen als het niet een principe kwestie is. En gaan principe kwesties iemand juist niet veel meer aan het hart en levert een dergelijke kwestie juist veel meer spanning en frustratie op dan een zaak die geen principe kwestie betreft?

Wij zouden menen dat de hoogte van het bedrag niet bij voorbaat invloed heeft op de spanning en frustratie die een procedure met zich meebrengt. Echter, als het hof Amsterdam deze lijn voortzet dan zouden geschillen over een hoog bedrag dus extra veel spanning en frustratie – oftewel ongeluk – met zich meebrengen. Leveren dergelijke zaken voortaan dan ook een hogere immateriële schadevergoeding op dan het ‘forfaitaire’ bedrag van € 500,- per half jaar? Of meet hof Amsterdam met twee maten.

Wat vind jij, maakt geld gelukkig? Brengt een geschil over een hoog bedrag extra spanning en frustratie met zich mee en moet dit van invloed zijn op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn?

Tags:
2 Comments

Plaats een reactie