#333: Geen woorden maar daden

In diverse Vaklunches hebben wij reeds aandacht besteed aan het feit dat een verdachte mag vertrouwen op toezeggingen van het Openbaar Ministerie. Feit is helaas echter dat het Openbaar Ministerie niet altijd handelt naar haar eigen toezeggingen en dat de rechter dan moet ingrijpen. Voorbeelden hiervan bespraken wij in Vaklunch #235  en Vaklunch #305 . In de Nieuwsbrief Strafrecht van deze maand is nu een nieuw voorbeeld geplaatst (NBStraf 2019/206) die (nog) niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd.

In deze zaak is de verdachte veroordeeld door de rechtbank. De verdachte stelt om hem moverende redenen geen hoger beroep in. Tijdens de lopende appeltermijn neemt het Openbaar Ministerie contact op met de advocaat van de verdachte en constateert dat de verdachte nog geen hoger beroep heeft aangetekend. De officier van justitie in kwestie schrijft vervolgens:

“Volgens onze informatie heeft u (nog) geen appel ingesteld tegen dit vonnis. Na bestudering van het vonnis overweegt het Openbaar Ministerie om géén appel in te stellen, tenzij de verdediging dat wel doet: dan gaan we mee”.

Om die reden wil ik u verzoeken om aan te geven of u al dan niet voornemens bent om te appelleren. Uiteraard is het goed mogelijk dat u hierop geen antwoord kunt of wilt geven, dan wel dat deze mail u niet op tijd bereikt. Daarom zullen wij u, bij uitblijven van een antwoord, morgen tevens proberen te bellen. Indien ook dat niet tot een antwoord leidt, zullen we morgenmiddag sowieso appel instellen om de termijn veilig te stellen. Indien u vervolgens geen appel instelt, zullen wij ons appel weer intrekken.”

Binnen de door de officier van justitie gestelde termijn geeft de raadsman vervolgens aan dat zijn cliënt niet in appel gaat. Een dag later laat het Openbaar Ministerie weten dat het toch wel in hoger beroep gaat, zonder daarbij aan te geven wat de reden hiervoor is. Ter zitting voert de raadsman een ontvankelijkheidsverweer. De raadsman stelt dat de vervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde, omdat er door de e-mailwisseling een gerechtigd vertrouwen is ontstaan dat het Openbaar Ministerie niet in hoger beroep zou gaan. Het Hof gaat mee in het ontvankelijkheidsverweer en oordeelt dat het Openbaar Ministerie door hoger beroep in te stellen in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit dient in beginsel tot niet-ontvankelijkheid te leiden en dit is slechts anders indien zwaarwegende belangen zich tegen een dergelijke beslissing zouden verzetten. Van dergelijke belangen zijn in deze zaak echter niet gebleken. De officier van justitie wordt om die reden dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Wij kunnen dit vonnis van het gerechtshof goed volgen. Het zou zo moeten zijn dat de burger te allen tijde mag vertrouwen op het Openbaar Ministerie. Helaas handelt het Openbaar Ministerie niet altijd naar haar eigen woorden waardoor de belanghebbende alsnog in een langslepende procedure terecht komt en de rechter moet ingrijpen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie