#661: Geen nadeel voor ‘s Rijks schatkist, geen vergrijpboete
Op 20 februari 2026 heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen over de vergrijpboete van artikel 67f AWR in btw-zaken met een grensoverschrijdend fraude-element. Centraal staat de vraag of aan een Nederlandse ondernemer een vergrijpboete kan worden opgelegd wanneer hem, vanwege zijn betrokkenheid bij btw-fraude in een andere lidstaat, het nultarief wordt geweigerd, terwijl zijn opzet niet was gericht op het ontgaan van in Nederland verschuldigde omzetbelasting.
De zaak betreft een Nederlandse handelaar in tweedehands auto’s, die het nultarief toepaste op intracommunautaire leveringen. De handelaar verkocht gedurende een periode van tweeënhalf jaar auto’s aan afnemers in Roemenië, Hongarije, Slowakije en Kroatië. Uit een boekenonderzoek kwam echter naar voren dat de voertuigen feitelijk naar Duitsland werden vervoerd, zonder dat daar aangifte werd gedaan van intracommunautaire verwervingen. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de handelaar zich schuldig had gemaakt aan btw-fraude, doordat hij op de afhaalverklaringen en CMR-vrachtbrieven bewust onjuiste bestemmingen had vermeld. Om die reden weigerde de inspecteur de toepassing van het nultarief en legde hij naheffingsaanslagen op. Daarnaast werd een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67f AWR, wegens het opzettelijk en ten onrechte toepassen van het nultarief.
Het Hof achtte aannemelijk dat de intracommunautaire verwervingen in Duitsland niet waren aangegeven, nu het verhullen van de werkelijke bestemming geen ander doel kon hebben gehad. Volgens het Hof was dan ook sprake van btw-fraude en had de inspecteur het nultarief terecht geweigerd. Ten aanzien van de boete oordeelde het Hof dat de inspecteur overtuigend had aangetoond dat de onjuiste aangiften het gevolg waren van opzet aan de zijde van de handelaar. Daarbij overwoog het Hof dat de vervoersdocumenten, die zich in de administratie van de handelaar bevonden, door hem willens en wetens frauduleus waren opgemaakt, doordat hij daarop opzettelijk onjuiste bestemmingen had vermeld.
De Hoge Raad beperkte zich in deze zaak tot de opgelegde vergrijpboetes op grond van artikel 67f AWR. Die bepaling ziet uitsluitend op het opzettelijk niet (tijdig) betalen van in Nederland verschuldigde aangiftebelastingen en biedt geen grondslag voor beboeting van in een andere lidstaat verschuldigde belasting. In geschil was of het frauduleuze handelen van de autohandelaar was gericht op het niet (volledig) betalen van Nederlandse omzetbelasting. Anders dan het Hof oordeelde de Hoge Raad dat opzet gericht op het ontgaan van btw in een andere lidstaat niet zonder meer meebrengt dat ook sprake is van opzet ten aanzien van het niet betalen van omzetbelasting in Nederland. Dat het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel daardoor in gevaar komt, doet daaraan niet af.
De Hoge Raad maakt hierbij – op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie – een onderscheid tussen het weigeren van het nultarief wegens btw-fraude enerzijds en beboeting op grond van artikel 67f AWR anderzijds: ook in gevallen waarin sprake is van betrokkenheid bij btw-fraude in een andere lidstaat dient voor het (voorwaardelijk) opzet bestanddeel van het in artikel 67f, lid 1, AWR beboetbaar gestelde feit vast komen te staan dat de belastingplichtige ofwel wetenschap had dat in Nederland te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden betaald, ofwel wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat in Nederland te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden betaald, en hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Relevant in dat kader is dat de inspecteur zich – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – op het standpunt heeft gesteld dat het opzet van belanghebbende niet was gericht op het ontgaan van omzetbelasting in Nederland, maar op het ontgaan van btw in een andere lidstaat.
Ook het subsidiaire standpunt van de inspecteur dat aan het vereiste van grove schuld in de zin van artikel 67f, lid 1, AWR wordt voldaan, wordt verworpen door de Hoge Raad. Artikel 67f AWR ziet niet op het niet betalen van in een andere lidstaat verschuldigde belasting, zodat de verweten gedraging reeds daarom geen beboetbaar feit oplevert. Voor zover het standpunt mede betrekking had op het niet betalen van Nederlandse omzetbelasting, oordeelt de Hoge Raad dat weliswaar naheffing mogelijk is bij weigering van het nultarief op grond van een ruime uitleg van artikel 20, lid 1, AWR, maar dat die ruime, richtlijnconforme uitleg niet kan opgaan voor een sanctiebepaling als artikel 67f AWR, aangezien voor sanctiebepalingen geldt dat deze voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moeten zijn. Een zodanig ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou dan ook met zich meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen wordt geschonden.
De Hoge Raad is helder en het oordeel is naar onze mening volkomen terecht. Het arrest maakt duidelijk dat bij het opleggen van een vergrijpboete op de voet van artikel 67f AWR scherp in het oog moet worden gehouden waar het opzet van een belastingplichtige precies op ziet. Ziet het opzet (of de grove schuld) van een belastingplichtige op het niet of niet tijdig betalen van belasting die in een andere lidstaat is verschuldigd, kan geen vergrijpboete worden opgelegd wegens het opzettelijk (dan wel met grove schuld) niet of niet tijdig betalen van Nederlandse belasting.
Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments