#655: Geen administratie, geen ontneming
In de laatste maand van 2025 heeft de rechtbank Den Haag een belangwekkende beslissing gewezen in samenhangende ontnemingsprocedures tegen een veroordeelde natuurlijk persoon en vennootschap. In beide zaken werd het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de inbeslaggenomen originele (papieren) bedrijfsadministratie grotendeels was vernietigd. De rechtbank oordeelt dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim: zonder de originele administratie valt niet meer te controleren welke inkomsten legaal waren en welke wederrechtelijk. Het gevolg is niet-ontvankelijkheid van het OM: zonder administratie geen ontneming.
In de zaak tegen de natuurlijke persoon vorderde het OM een ontnemingsbedrag van €476.544. In de zaak tegen de vennootschap ging het om een ontneming van €347.242. De vennootschap hield zich bezig met de handel in onder meer klimaatbeheersingssystemen (zogenaamde Opticlimates) die – volgens het OM – met name worden gebruikt in bedrijfsmatige hennepteelt.
De verdediging voerde aan dat niet alle inkomsten wederrechtelijk waren verkregen. Er zou óók sprake zijn van legale omzet, bijvoorbeeld uit verkopen aan klanten die zich niet met (professionele of grootschalige) hennepteelt bezighielden. Door de vernietiging van de originele administratie kon echter niet meer met (onderliggende) facturen worden onderbouwd welke inkomsten legaal waren. Volgens de verdediging was de vernietiging van de bedrijfsadministratie in strijd met artikel IV.2 van de (destijds geldende) Aanwijzing inbeslagneming. Deze bepaling ziet op de situaties waarin waarheidsvindingbeslag dient te worden bewaard. De verdediging concludeert dat in deze situatie sprake is van een fundamentele schending van de verdedigingsrechten, die niet meer te herstellen is.
De officier van justitie stelde daartegenover dat aan de verdediging eerder al een kopie van de (volledige) administratie was verstrekt. Ook zou de ontnemingsvordering grotendeels zijn gebaseerd op de elektronische administratie. Daardoor zou het volgens het OM wel degelijk mogelijk zijn om inhoudelijk verweer te voeren tegen de voordeelberekening.
De rechtbank maakt eerst korte metten met de rechtmatigheid van de vernietiging. Het vernietigen van de inbeslaggenomen originele administratie is in strijd met artikel 116 lid 1 (tweede volzin) Sv, dat teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen voorschrijft als het belang van het beslag is vervallen; én in strijd met de destijds geldende Aanwijzing inbeslagneming. Daarmee staat vast dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
Ter discussie lag vervolgens de vraag tot welk gevolg deze constatering moet leiden. De verdediging zette in op het zwaarste middel: niet-ontvankelijkheid van het OM.
De rechtbank volgt de redenering van de verdediging en stelt vast dat de voordeelberekening van het OM was gebaseerd op elektronische administratie over een lange periode, maar dat die digitale administratie op haar beurt weer leunt op de originele papieren bescheiden. Door de vernietiging van die originele bescheiden kan niet meer worden nagegaan of de digitale gegevens volledig en juist zijn, en kan niet meer met onderliggende facturen worden vastgesteld welk deel van de omzet mogelijk legaal was. Dat is in deze zaken niet een theoretisch probleem: uit de eerdere arresten in de zaken tegen de veroordeelden volgt dat niet alle inkomsten wederrechtelijk waren. Daarmee wordt het ontbreken van de originele administratie beslissend, omdat zonder die stukken de mogelijkheid wegvalt om de gestelde criminele herkomst van (delen van) de omzet te betwisten én de berekening van het OM inhoudelijk te toetsen.
Het argument van het OM dat aan de verdediging kopieën van de administratie waren verstrekt, gaat ook niet op. De rechtbank oordeelt dat gelet op de vernietiging van de originelen niet kan worden gecontroleerd of de verstrekte kopieën compleet zijn. Daarbij komt dat de verdediging ter zitting concreet heeft aangevoerd dat de kopieën op onderdelen onvolledig en deels onleesbaar zijn.
Ook de suggestie van het OM ter zitting om bij de boekhouder na te gaan of de originele administratieve bescheiden thans nog bestaan, vindt geen toepassing. De rechtbank meent dat het tijdsverloop inmiddels zodanig is dat een herstelpoging langs die weg weinig realistisch is: het is onduidelijk of de boekhouder destijds überhaupt over (volledige) scans of bronstukken beschikte, en bovendien ligt het niet voor de hand dat die administratie nu nog aanwezig is. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om het OM alsnog de gelegenheid te geven om via nader onderzoek te proberen het vormverzuim te repareren.
Daarmee komt de rechtbank tot de slotsom dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat zó ingrijpend doorwerkt in de mogelijkheden om de ontnemingsvordering te bestrijden, dat slechts één rechtsgevolg passend is: niet-ontvankelijkheid van het OM. Het is goed om te zien dat de rechtbank hier duidelijk maakt dat een onherstelbaar vormverzuim aan de zijde van het OM ook daadwerkelijk voor rekening van het OM komt.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via vaklunch@hertoghsadvocaten.nl.

No Comments