#391: Fiscaal- en strafrecht in de mix

Het fiscale recht kent een ruime informatieverplichting. Op grond van artikel 47 AWR dient een belastingplichtige alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. Indien de belastingplichtige meent dat hij niet gehouden is de informatie te verstrekken dan kan hij dit kenbaar maken aan de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft vervolgens het recht om een informatiebeschikking uit te vaardigen. Dit is een bestuursrechtelijke beschikking waartegen de belastingplichtige bezwaar kan maken. Maar hoe verhoudt deze procedure zich tot het strafbare feit: “het niet verstrekken van informatie aan de Belastingdienst” op basis van artikel 68, lid 1, sub a en sub b juncto artikel 69 AWR?

In Vaklunch #274 schreven wij reeds over het arrest van het Gerechtshof Den Bosch. In deze zaak werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat het Openbaar Ministerie gedurende een fiscale informatiebeschikkingsprocedure was ingezet om beslag te leggen op de gegevens waarover de procedure ging. Dit gebeurde onder het mom van het strafbare feit dat de belastingplichtige opzettelijk geen informatie had verstrekt aan de Belastingdienst. Het hof stak hier gelukkig een stokje voor en oordeelde dat het Openbaar Ministerie zich als verlengstuk van de Belastingdienst had laten gebruiken en daarmee zijn bevoegdheden had misbruikt. Het Openbaar Ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft nu arrest gewezen in een vergelijkbare zaak. In deze zaak vond een fiscaal boekenonderzoek plaats bij een tweetal belastingplichtigen. Gedurende dit onderzoek is hen verzocht om de klantendossiers en verkoopfacturen van een aantal buitenlandse vennootschappen te verstrekken. De belastingplichtigen verzetten zich tegen dit verzoek omdat het idee bestond dat het hoofddoel van het onderzoek een geheel andere is dan was aangekondigd. De Belastingdienst zou van alle partijen die zich direct of indirect bezighouden met buitenlandse vennootschappen de werkwijze, het cliëntenbestand, cliëntdocumentatie en structuren van cliënten in kaart willen brengen. De aangekondigde reguliere controle was daarbij slechts van ondergeschikt belang. De Belastingdienst vaardigde vervolgens een informatiebeschikking uit en stelde zich op het standpunt dat de belastingplichtigen verplicht zijn de informatie te verstrekken. De belastingplichtigen hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Vervolgens wordt door de Belastingdienst contact gelegd met het Openbaar Ministerie. Aan de officier van justitie wordt voorgesteld een doorzoeking te vorderen op grond van vermoedelijke overtreding van de fiscale informatieverplichting. Het hof stelt vast: ‘De doorzoeking had tot doel de bedrijfsadministratie en de bedrijfsgegevens die aan de Belastingdienst ter beschikking hadden moeten worden gesteld maar waren achtergehouden, in beslag te nemen of vast te leggen.’

De doorzoekingen vinden plaats, de stukken worden in beslag genomen en de gegevens worden gedeeld met de Belastingdienst. Uiteindelijk komt in de informatiebeschikkingsprocedure vast te staan dat de belastingplichtigen verplicht zijn de informatie te verstrekken.

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ook in deze zaak niet-ontvankelijk. De reden is dat het Openbaar Ministerie door deze handelswijze ernstig tekort heeft gedaan aan de rechtsbescherming die een informatiebeschikking beoogt te bieden. Het hof voegt daar echter wel het volgende aan toe. Er zouden twee omstandigheden zijn waaronder een vervolging in deze situatie wel zou kunnen:

  1. Het strafrecht zou kunnen worden ingezet indien door de belastingplichtige op onredelijke wijze gebruik wordt gemaakt van het fiscaal procesrecht;
  2. Een reëel gevaar bestaat dat hangende de informatiebeschikkingsprocedure de informatie wordt weggemaakt door de belastingplichtige.

Hoewel wij het eens zijn met de niet-ontvankelijk verklaring van het hof kunnen wij ons geenszins vinden in deze overweging ten overvloede. Allereerst is het aan de fiscale bestuursrechter om te beoordelen of op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van procesrecht. Het is niet aan het Openbaar Ministerie om daar een oordeel over te vellen. Op die manier gaat het Openbaar Ministerie op de stoel van de rechter zitten.

Daarnaast is het Openbaar Ministerie ook geen beslagorgaan van de Belastingdienst om gegevens veilig te stellen. De Belastingdienst heeft haar eigen middelen om gegevens veilig te stellen. Daarover kunnen ook afspraken worden gemaakt met de belastingplichtige. Wij menen dat het strafrecht niet op een oneigenlijke manier zou moeten worden ingezet, zoals voor het ‘veiligstellen’ van fiscale gegevens voor de Belastingdienst. Wij menen dus dat de omstandigheden die het hof aandraagt geen redenen zijn om het strafrecht in te zetten, terwijl door de fiscale rechter nog moet worden bepaald of een verplichting bestaat tot het verstrekken van informatie.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie