#379: Exporteren

De Sanctiewet 1977 is een kaderwet en is de grondslag voor de uitwerking van (inter)nationale regels ter uitvoering van de internationale sanctiemaatregelen. Doel van de wet is bestrijding van onder meer ongewenste handel, witwassen en terrorisme. Diverse onderdelen van de sanctieregelgeving vereisen dat eerst een vergunning moet worden verkregen alvorens goederen mogen worden verkocht en geëxporteerd. In deze sanctiezaken is vaak een discussiepunt wanneer sprake is van export. Een recent arrest van Gerechtshof Amsterdam geeft antwoord op deze vraag.

In de zaak die speelde voor het Gerechtshof Amsterdam was het verwijt dat de verdachte in strijd had gehandeld met artikel 3bis, eerste lid, onder a van Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012. Volgens die bepaling is een voorafgaande vergunning vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren of overdragen aan en exporteren van de goederen en technologie, bedoeld in bijlage II, ten behoeve van een Iraanse persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Iran.

Vaststaat in deze zaak is dat geen vergunning is aangevraagd, de Douane dit heeft ontdekt en de goederen heeft aangehouden en teruggestuurd. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van export op het moment dat de goederen worden aangegeven bij de Douane. Wij zien dat dit standpunt vaker door het Openbaar Ministerie wordt ingenomen in sanctiezaken. De verdediging daarentegen stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van export nu de goederen door de Douane zijn teruggestuurd op het moment dat werd vastgesteld dat de benodigde vergunning niet was verkregen.

Het hof overweegt dat exporteren in het dagelijks spraakgebruik betekent dat goederen naar het buitenland worden gebracht, en dus een landsgrens overschrijden. Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van levering, overdracht en/of export van de goederen. De verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Volgens het hof kan alleen bewezen worden dat de goederen zijn verkocht aan de Iraanse partij nu een purchase order is uitgebracht en daarom sprake is van een aanbod en aanvaarding.

Desondanks legt het hof geen straf of maatregel op. De reden hiervoor is dat de betreffende onderneming inmiddels is ontbonden en er dus in zoverre ook geen recidive risico bestaat. Dit was conform de ‘strafeis’ van de advocaat-generaal. Ook de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De vraag is dan wat de relevantie was van de vervolging? Voor de rechtspraktijk is het in ieder geval relevant dat het Gerechtshof Amsterdam duidelijke grenzen stelt aan de interpretatie van het begrip ‘export’ en het onvoldoende is om goederen aan te geven voor export bij de Douane.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie