#220: Vervagende Europese grenzen ten koste van de rechtsbescherming

Dat de Europese grenzen vervagen en de wederzijdse erkenning op het gebied van strafrecht steeds verder gaat is niets nieuws. Over het Europees bewijsverkrijgingsbevel schreven wij al in Vaklunch #18. In dat artikel besteedden wij ook al kort aandacht aan het Europees Onderzoeksbevel dat op dat moment nog toekomstmuziek was. Inmiddels zijn we ruim 200 vaklunches verder en is blijkens het persbericht van de Europese Commissie het Europees Onderzoeksbevel vorige week – op 22 mei 2017 – van kracht geworden. Maar wat houdt het in?

Het Europees Onderzoeksbevel is uitgewerkt in richtlijn 2014/41/EU en maakt het voor de justitiële autoriteiten gemakkelijker om in een ander EU-land bewijsmateriaal op te vragen. Het gaat uit van wederzijdse erkenning. Het verplicht elke EU-lidstaat een verzoek van een andere lidstaat te erkennen en op dezelfde wijze uit te voeren als een besluit van de eigen autoriteiten. Artikel 35 van de richtlijn is overigens helder over verzoeken om rechtshulp die dateren van voor 22 mei 2017. Die verzoeken vallen onder de destijds bestaande regelgeving.

In een persbericht benoemt de Europese Commissie dat het Europees Onderzoeksbevel een heel aantal voordelen heeft. Zo is het een breed inzetbaar instrument en het vervangt het huidige ‘versnipperde’ rechtskader binnen de verschillende lidstaten. Daarnaast zal het vergaren van bewijsmateriaal versneld worden. De lidstaten hebben 30 dagen de tijd om een verzoek te aanvaarden. Indien het wordt aanvaard zijn er 90 dagen om de onderzoeksmaatregel uit te voeren. De weigering mee te werken is slechts onder uitzonderlijke omstandigheden toegestaan, bijvoorbeeld als het in strijd is met de fundamentele rechtsbeginselen van het land of de nationale veiligheidsbelangen. Het bevel vermindert verder de administratieve formaliteiten en tot slot worden – aldus de Europese Commissie – de grondrechten van de verdediging beschermd. Of dat echt zo is is echter nog de vraag.

De richtlijn reikt te ver om in deze Vaklunch te bespreken, maar het zal ook in Nederland gevolgen hebben. Hoewel de richtlijn in Nederland nog niet is geïmplementeerd is de nieuwe wetgeving al wel vergevorderd. Het zal met name een verandering teweeg brengen voor de huidige verlofprocedure. Die procedure regelt nu dat Nederland als uitvoerende staat toestemming moet hebben van de rechter om bewijs dat in Nederland is verzameld aan de verzoekende staat uit te leveren. Die procedure blijkt in de praktijk tijdrovend. Om de termijnen te kunnen halen is in het voorstel van wet in artikel 5.4.10 opgenomen dat degene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (bijvoorbeeld) voorwerpen in beslag zijn genomen wordt geïnformeerd over de mogelijkheid binnen veertien dagen een klaagschrift in de zin van artikel 552a Sv in te dienen. Alsdan toetst de rechter – indien de beslagene tenminste ‘piept’ – enkel op de rechtmatigheid van de inbeslagneming. Lid 3 van artikel 5.4.10 sluit namelijk uit dat de rechter een oordeel velt over de gronden om het onderzoeksbevel uit te vaardigen. Blijkens lid 4 beslist de rechtbank binnen 30 dagen na ontvangst van het klaagschrift. Indien cassatie wordt ingesteld beslist de Hoge Raad binnen negentig dagen na indiening van de schriftuur.

De Raad voor de Rechtspraak stelt dat met de afschaffing van de verlofprocedure de rechtsbescherming aanzienlijk achteruit gaat, terwijl de richtlijn wel ruimte laat om de verlofprocedure in stand te houden. De veertien dagen om een klaagschrift in te dienen gaan immers heel rap voorbij. In die periode moet de beslagene een advocaat inschakelen én zijn rechtspositie bepalen. Deze korte termijn zal er ons inziens in resulteren dat voor de zekerheid een klaagschrift wordt ingediend. Of de Rechtbanken in Nederland binnen 30 dagen kunnen beslissing op het klaagschrift zal de tijd moeten leren. Hetzelfde geldt voor de termijn die voor de cassatieprocedure staat. De consequenties van het overschrijden van deze termijn zijn niet helder.

In artikel 5.4.10 staat verder dat de beslagene enkel in kennis wordt gesteld van zijn bevoegdheid te klagen indien ‘de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt’. Dit kan er dus toe leiden dat de informatie zonder tussenkomst van een rechter ‘zomaar’ over de landsgrenzen kan gaan. Hoewel wij denken dat de beslagene veelal wél op de hoogte zal zijn van de inbeslagneming of de vordering om stukken en er dus geen reden is de beslagene te informeren over zijn bevoegdheid een klaagschrift in te dienen, kunnen de rechten van de beslagene ons inziens (te) gemakkelijk worden gepasseerd.

Wij houden de ontwikkelingen op dit punt nauwlettend in de gaten. Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

 

Geen reacties

Plaats een reactie