#354: De eerste klap is een daalder waard

Een fraudezaak start in de regel met een beslag op bankrekeningen. Deze aanpak past bij het huidige ‘afpakklimaat’. Het Openbaar Ministerie wil fraudeurs daar raken waar het pijn doet: in de portemonnee. Dat gebeurt overigens in een fase waarin enkel en alleen nog een verdenking van een strafbaar feit bestaat en de verdachte dus voor onschuldig dient te worden gehouden. De wet biedt de mogelijkheid van beklag tegen het beslag, maar in de praktijk blijkt het rechtsmiddel niet veel soelaas te bieden. De rechter toetst marginaal en het Openbaar Ministerie wordt in de regel veel tijd gegund om onderzoek te doen naar de verdenkingen. Als kan worden aangetoond dat het beslag disproportioneel is tonen rechters zich overigens wel gevoelig voor het beklag, zie daartoe ook Vaklunch #185. Ook beklag dat is gestoeld op een juridisch argument is vaker succesvol dan beklag waarin de verdenking wordt betwist. Dit leverde de Centrale Bank van Suriname een mooi kerstcadeau op.

Op 24 december 2019 oordeelde Rechtbank Noord-Holland over het klaagschrift dat was gericht tegen beslag op een geldzending van € 19,5 miljoen. Blijkens de uitspraak gaat het om 5 geldzendingen van april 2018 afkomstig uit Suriname met bestemming Hong Kong, met een tussenstop op Schiphol. In totaal ging het om 24 colli met ‘bank notes’. De afzender – de ‘shipper’ – was de Centrale Bank van Suriname. Het Openbaar Ministerie vond dat sprake was van een ernstig vermoeden dat een groot gedeelte van het inbeslaggenomen geldbedrag (on)middellijk van misdrijf afkomstig was. Dit vermoeden is gebaseerd op witwasindicatoren. De handelsbanken – de rechthebbenden op de gelden – zijn ook aangemerkt als verdachte net als vijf in Suriname gevestigde wisselkantoren (Cambio’s).

In de klaagschriftprocedure is de achtergrond van de geldzendingen toegelicht. Deze zijn bedoeld om het overschot aan euro’s in Suriname giraal om te zetten. Dat gebeurt al sinds jaar en dag op deze manier, zonder noemenswaardige problemen. Totdat daar ineens onderzoek naar gedaan werd. De kern van de klacht is echter dat de Centrale Bank van Suriname als staatsorgaan immuniteit toekomt. Hiertoe is een beroep gedaan op het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2014. Dit verdrag ziet op de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen. In deze procedure is gesteld dat het Openbaar Ministerie in strijd met de soevereine gelijkheid van staten de Centrale Bank van Suriname zonder grondslag aan zijn rechtsmacht heeft onderworpen.

Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat het staatsorgaan van Suriname weliswaar immuniteit geniet, maar dat dat alleen geldt voor staatseigendommen en voor zover deze goederen een publieke bestemming hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake, stelt het Openbaar Ministerie. Het geld behoort immers toe aan de handelsbanken en niet aan de Centrale Bank van Suriname.

De Rechtbank overweegt dat het verdrag waar een beroep op wordt gedaan niet van toepassing is op het strafrecht. Niettemin bepaalt artikel 8d van het Wetboek van Strafrecht dat de Nederlandse strafwet wordt beperkt door de uitzonderingen die in het volkenrecht zijn erkend. De Rechtbank concludeert op basis van lezenswaardige overwegingen dat in Nederland als ongeschreven regel van internationaal publiekrecht heeft te gelden dat vreemde staten immuniteit van strafvorderlijk beslag genieten voor zover dat betrekking heeft op voorwerpen die de staat onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak. Die publieke taak is in dit geval vastgelegd in artikel 9 van de Surinaamse Bankwet, waaronder het bevorderen van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname en het verzorgen van de geldsomloop in Suriname. Dat deze specifieke geldzendingen ook door een commerciële partij kunnen worden verricht doet hier niet aan af.

Een mooie beslissing van de Rechtbank die zich duidelijk goed in de materie heeft verdiept. Zal het Openbaar Ministerie zich tot de Hoge Raad wenden? De vraag die zich overigens ook direct opwerpt is of het volkenrechtelijke immuniteitsbeginsel de Centrale Bank ook behoedt voor een verder strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. Nu de Centrale Bank zoals vastgesteld door de Rechtbank de taken als neergelegd in artikel 9 heeft uitgeoefend zal de functionele immuniteit ons inziens ook op de inhoudelijke verdenking van toepassing moeten zijn. Wij zijn benieuwd naar de ontknoping van deze zaak.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

Geen reacties

Plaats een reactie