#188: Bent u wel onpartijdig?

Afgelopen vrijdag, 14 oktober jl., vond de vierde landelijke Hertoghs pleitwedstrijd plaats in de (bijzondere) rechtbank in Breda. Studenten fiscaal recht en studenten strafrecht hebben met verve de zaak voor het Openbaar Ministerie en de verdachte bepleit aan de hand van een dossier dat nauwelijks van echt te onderscheiden was. De bijzondere zittingscombinatie bestaande uit een frauderechter, een officier van justitie en een advocaat hebben de studenten laten voelen hoe het is om écht in de rechtbank te staan. En de cliënt deed ook een duit in het zakje door de adviezen van zijn advocaten prompt te vergeten bij het binnentreden van de zittingszaal. Alle hens aan dek voor de procespartijen dus. En ook dit jaar zocht de rechtbank de grens van de schijn van partijdigheid op. Maar wat doe je als de rechter tegen de verdachte zegt: maar ik geloof u gewoon niet?Lees verder

#184: Schending van de ATV-richtlijnen?

Hoewel de ATV-richtlijnen niet meer bestaan en – na een aantal hervormingen – plaats hebben gemaakt voor het AAFD-protocol (hierover schreven wij al in #120), houden de ATV-richtlijnen de juridische gemoederen nog wel bezig. De ATV-richtlijnen zijn bedoeld om te bepalen of een fiscale zaak op basis van het fiscale nadeel in aanmerking komt voor het selectieoverleg tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Als dat het geval is, wordt op basis van de richtlijnen beoordeeld op welke wijze de zaak moet worden afgedaan; via de administratieve route of via de strafrechtelijke route. Onlangs kwamen de ATV-richtlijnen 2006 weer aan de orde in een arrest van de Hoge Raad omdat de zaak ten onrechte zou zijn aangemeld voor het overleg tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie.Lees verder

#183: Beroepsverbod en het legaliteitsbeginsel

Op grond van art. 28 lid 1 sub 5 Sr kan een beroepsverbod als bijkomende straf worden uitgesproken. In de wetsgeschiedenis is omschreven dat een beroepsverbod is bedoeld als een zware sanctie. Het dient niet lichtvaardig te worden opgelegd. Sinds 1 april 2010 is het aantal delicten waarvoor een beroepsverbod kan worden opgelegd flink uitgebreid. Sindsdien lijkt ook een toename waarneembaar van het aantal zaken waarin een beroepsverbod wordt opgelegd. Voor deze uitbreiding van het beroepsverbod is geen overgangsrecht bepaald. En hoewel het legaliteitsbeginsel behoort tot de fundamenten van het strafrecht, lijkt dit toch af en toe te worden vergeten. Op 6 september 2016 is het legaliteitsbeginsel in relatie tot het beroepsverbod nog eens specifiek aan de orde gekomen in een arrest van de Hoge Raad.Lees verder

#182: Het OM dient de wet te kennen

Het Wetboek van Strafvordering kent strenge procedureregels ten aanzien van het verloop van een strafzaak. Procespartijen – waaronder burgers – moeten kunnen vertrouwen op een behandeling volgens de wet. Het past niet om daarvan af te wijken. Toch komt het in de praktijk weleens voor dat in strijd wordt gehandeld met de formeel wettelijke eisen, al dan niet bewust. Bijvoorbeeld als het gaat om het instellen of intrekken van rechtsmiddelen. Uit de jurisprudentie omtrent het instellen van een rechtsmiddel door de griffier van de strafgriffie op basis van een volmacht blijkt bijvoorbeeld dat de Hoge Raad streng erop toeziet of de volmacht aan alle eisen voldoet. Toch gaat het in de praktijk weleens mis als het aankomt op het instellen van rechtsmiddelen. Ook bij het Openbaar Ministerie, zo blijkt uit een recent arrest van Gerechtshof Amsterdam.Lees verder

#180: Meerdere wegen naar Rome?

Over sommige zaken wordt jarenlang geprocedeerd. Tijdverloop kan in een zaak een voordeel opleveren omdat het recht zich in de loop der tijd bijvoorbeeld ontwikkelt en/of (maatschappelijke) ideeën over een bepaalde kwestie rijpen. Het verstrijken van de tijd gaat echter ook gepaard met bepaalde nadelen. Hierbij valt met name te denken aan de onzekerheid of de spanning en frustratie die een procedure met zich meebrengt. Met name in die gevallen waarin geen discussie (meer) bestaat over de feiten, kan een snel oordeel van de Hoge Raad over een bepaalde rechtsvraag die partijen verdeeld houdt een uitkomst bieden en kan een extra procedure bij het hof worden voorkomen. Via de prejudiciële procedure is het sinds 1 juli 2012 al mogelijk voor civiele feitenrechters om een rechtsvraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Sinds 1 januari 2016 is die rechtsvorm ook aan het fiscale recht toegevoegd. Het strafrecht is nog niet zo ver, maar daar komt wellicht op korte termijn verandering in.Lees verder

#179: Zijn rechters nog altijd ongehoorzaam?

De Hoge Raad heeft een strenge en duidelijke lijn uitgezet als het gaat om het sanctioneren van vormverzuimen. Politie en justitie dienen zich gedurende het opsporingsonderzoek uiteraard te houden aan de regels zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafvordering. Doen zij dat niet, dan kunnen dergelijke vormverzuimen consequenties hebben. Artikel 359a Sv vormt de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Een van die gevolgen is de sanctie van bewijsuitsluiting. Het is aan de verdediging om op basis van de criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad, een dergelijke sanctie te bewerkstelligen. Vorig jaar werd een trend ontdekt waarbij rechters sneller gevolgen verbonden aan vormverzuimen dan wellicht was bedoeld door de Hoge Raad. Is deze trend nog steeds waarneembaar?Lees verder

#175: Uit de oude doos

Rechtspraak.nl heeft de zomerperiode aangegrepen om een aantal oude arresten uit 1997 en 1999 te publiceren. Deze arresten zijn voor ons interessant genoeg om nog eens kritisch te bekijken en er in de praktijk ons voordeel mee te doen. Want kan gebruik maken van het zwijgrecht tegen de verdachte worden gebruikt? En hoe zit het ook alweer met het gebruik van anonieme getuigenverklaringen?Lees verder

#174: Rechtbank steekt eigen band lek

De actieve rechter die het Openbaar Ministerie een handje helpt tijdens de behandeling ter terechtzitting blijft de gemoederen bezig houden. In #024 schreven wij in dat kader al over een prikkelend artikel van mr. L.M.G. de Weerd. Hij meent dat er niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op – bijvoorbeeld – fouten in de tenlastelegging. In #157 schreven wij over een zaak waarin de rechter ter zitting constateerde dat de twee ten laste gelegde feiten elkaar uitsluiten en daarmee ‘de lekke band van de officier’ probeerde te plakken. De verdediging heeft in die zaak de rechtbank gewraakt omdat de rechtbank zich teveel met de regie van de tenlastelegging bemoeide. Bij de verdachte was daardoor de (objectieve) vrees ontstaan dat de rechter vooringenomen was. De wrakingskamer wees het verzoek af, maar merkte wel op dat de rechter minder stellige bewoordingen had kunnen gebruiken. Hoe ver mag de rechter dan gaan om het Openbaar Ministerie toch een handje te helpen? Rechtbank Noord-Holland vindt in ieder geval dat de rechtbank zich niet (op elk moment) mag bemoeien met de tenlastelegging en tikte onlangs rechters in een dergelijke situatie op de vingers.Lees verder

#173: Het blijft mensenwerk

Waar mensen werken worden fouten gemaakt, zo ook in het strafrecht. Dit geldt te meer nu het strafproces aan strenge regels is gebonden. Terwijl de tendens ten aanzien van vormverzuimen in het opsporingsverzoek is dat niet of nauwelijks gevolgen worden verbonden aan overtredingen van strafvorderlijke regels door opsporingsautoriteiten, blijken nog enkele strafvorderlijke regels heilig in de ogen van de Hoge Raad. Het gaat dan met name om de regels ten aanzien van de behandeling ter zitting en de vastlegging daarvan. In de afgelopen periode zijn in dat kader een tweetal interessante arresten verschenen.Lees verder

#172: To prove or not to prove

Zonder bewijs geen veroordeling. Het Wetboek van Strafvordering is glashelder. Het bewijs vormt de kern van ons strafvorderlijk stelsel. Artikel 339, lid 1, Sv bepaalt welke wettige bewijsmiddelen bestaan. Naast de eigen waarneming van de rechter zijn dat verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden. Het tweede lid van artikel 339 Sv bepaalt verder dat ‘feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid’ geen bewijs behoeven. Dat lijkt ook niet meer dan logisch. Het is een enorm voor de hand liggende bepaling. Want waarom zou er immers nog bewijs moeten worden geleverd voor het feit dat de lucht blauw is? Of voor het feit dat sneeuw wit is? Maar is het een feit van algemene bekendheid dat een jas met de opdruk “A.C.A.B.” beledigend is voor een agent? En is het algemeen bekend dat Aloë Capensis en Aloë Vera niet hetzelfde zijn? Wie bepaalt in dat geval wat algemene kennis is? Het antwoord op deze vraag bepaalt namelijk of het feit al dan niet bewezen moet worden.Lees verder