#108: Redelijk en billijk?

Op grond van artikel 591a Sv kan de gewezen verdachte de rechter verzoeken om onder meer een vergoeding van de advocaatkosten. De kosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover die kosten ten laste van de (ex-)verdachte zijn gekomen. Het gaat om zaken die zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Dat wil zeggen dat alleen de kosten worden vergoed als de verdachte is vrijgesproken of indien de zaak is geseponeerd. De rechter toetst marginaal. Beslissend is daarbij of in het concrete geval voor toekenning van zo’n vergoeding gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn. Bij dat oordeel dient men rekening te houden met alle omstandigheden van het geval. Bepaald dient te worden of de tijd die aan de behandeling van de zaak is besteed, redelijk is geweest en of die tijd tegen een redelijk tarief is gedeclareerd. Maar wanneer is nu sprake van redelijkheid of billijkheid?Lees verder

#094: Het is weer woensdag!

Het afgelopen jaar leverden de jurisprudentie en vakliteratuur wederom meer dan voldoende inspiratie om wekelijks aandacht te besteden aan een actualiteit. En wederom konden wij op veel leuke, grappige en kritische reacties van jullie rekenen. Veel dank daarvoor!

Inmiddels staan de feestdagen voor de deur en zullen jullie deze weken op de vaklunchwoensdag aan het kerstdiner en aan de oliebollen zitten, wij ook! Voor degenen die vaklunch.nl eigenlijk niet kunnen missen; in week twee zijn wij er weer!

Voor nu wensen we jullie prettige feestdagen en een mooi nieuw jaar! Graag tot 7 januari 2015!

 

#061: (On)redelijke duur van het strafproces

Artikel 6 EVRM geeft de verdachte in beginsel fundamentele rechtsbescherming in een strafproces. Artikel 6 beschermt het recht op een openbare zitting voor een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank binnen een redelijke termijn, de aanname van onschuld en andere basisrechten voor verdachten. Schending van deze fundamentele rechten wordt door het Europees Hof van de Rechten van de Mens niet gehonoreerd. Ten aanzien van het bestraffen van een schending is de Hoge Raad echter (veel) terughoudender. Toch blijkt de Nederlandse rechtspraak onder omstandigheden ontvankelijk te zijn voor de fundamentele rechten die voortvloeien uit artikel 6 EVRM en wordt  het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging indien die fundamentele rechten niet worden gerespecteerd. Onlangs werd de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 13 maart 2014 gepubliceerd. Uit deze uitspraak blijkt dat – ondanks de duidelijke richtlijn van de Hoge Raad dat strafvermindering volgt op overschrijding van de redelijke termijn – het Openbaar Ministerie het onder omstandigheden toch echt te gortig maakt. Rechtbank Amsterdam heeft in dit geval het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte, nu geen sprake is van een tijdige berechting.

Wat onder een redelijke termijn wordt verstaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hangt af van i) de ingewikkeldheid van de zaak; ii) de invloed van de verdachte of zijn raadsman op het procesverloop en iii) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is afgehandeld. Overschrijding van de redelijke termijn wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in de regel gecompenseerd met strafvermindering. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Een treffend voorbeeld daarvan is het arrest van 17 juli 2008. In die zaak is in cassatie geklaagd dat in de cassatiefase de redelijke termijn voor berechting – als bedoeld in artikel 6 EVRM en 14 IVBPR – is overschreden, omdat vanaf het moment waarop beroep is cassatie werd ingesteld te veel tijd is verstreken tot het moment waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Met andere woorden, het is aan de rechterlijke instanties te wijten dat het proces (onredelijke) vertraging heeft opgelopen. De Hoge Raad overweegt dat de verdachte op 28 juni 2006 beroep in cassatie heeft ingesteld en dat de stukken eerst bijna een jaar later, op 22 juni 2007, ter griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dat brengt volgens de Hoge Raad inderdaad met zich dat de redelijke termijn is overschreden. Echter, de enkele vaststelling van de inbreuk op artikel 6 EVRM is volgens de Hoge Raad voldoende. 

Toch is Rechtbank Amsterdam van oordeel dat in de onderhavige zaak de fundamentele rechten van de verdachte op onaanvaardbare wijze zijn geschonden. De Rechtbank onderkent expliciet de inhoud van het arrest van 17 juli 2008,  maar meent dat in dit geval niet kan worden volstaan met iets anders dan niet-ontvankelijk verklaring. Daarbij is van belang dat de verdachte op 22 februari 2008 is aangehouden en in verzekering is gesteld. Op 10 maart 2008 is de gevangenhouding aangevangen. Op 30 mei 2008 heeft de eerste inhoudelijke behandeling ter zitting plaatsgevonden en is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Sindsdien is niets meer gebeurd in het dossier. Dat geen handelingen meer zijn verricht is ook ter zitting van 27 februari 2014 door de officier van justitie bevestigd. De officier heeft aangegeven te vermoeden dat het dossier reeds in de zomer van 2008 gereed was. In juni 2012 is reeds verzocht om beëindiging van de zaak van de medeverdachte. Daartegen had de officier van justitie geen bezwaar en het verzoek is in oktober 2012 gehonoreerd. Ondertussen is de zaak van de verdachte 5,5 jaar onaangeroerd gebleven. Dat dit te gortig was meende de officier van justitie (gelukkig) ook. Hij rekwireerde tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De overwegingen van de rechtbank zijn helder. In dit geval dienen de betrokken belangen tegen elkaar te worden afgewogen. Enerzijds zijn dat de belangen die de gemeenschap houdt – ondanks termijnoverschrijding – bij normhandhaving door berechting en anderzijds de belangen van de verdachte bij het voorkomen dat hij (langer dan redelijk is) onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven. Gelet op het “enorme” tijdsverloop van ruim vijf jaar moeten in dit geval de belangen van de verdachte prevaleren.

Met deze uitspraak – een (andere uitkomst in) hoger beroep is nagenoeg ondenkbaar – komt de spreekwoordelijke uitzondering op de regel vast te staan. Duidelijk is dat het OM een ‘tik op de vingers’ krijgt indien sprake is van een enorme periode waarin de bevoegde autoriteiten niets hebben ondernomen om de zaak te behandelen. Echter, zonder een dergelijk enorm tijdsverloop kan het Openbaar Ministerie rustig aan doen op straffe van slechts eventuele strafvermindering. Ons inziens draagt deze rechtspraak niet bij aan een EVRM-proof behandeling van zaken door het Openbaar Ministerie. Zonder harde deadlines ontbreekt iedere stimulans bij het Openbaar Ministerie om zaken voortvarend te behandelen.

Wat is jouw ervaring met dergelijke gevallen? Heeft de rechter consequenties verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, welke?

#046: Onherstelbare vormverzuimen kunnen toch hersteld worden..

Met de regels omtrent het recht op een eerlijk proces lijkt het veelal niet zo nauw genomen te worden. De algemene insteek lijkt in de praktijk te zijn dat een kleine schending hier en daar in een later stadium toch wel voldoende kan worden gerepareerd. Een onherstelbaar vormverzuim dat met de mantel der liefde wordt bedekt, omdat dit onherstelbare vormverzuim in een later stadium op wonderbaarlijke wijze toch kan worden hersteld (?).

Maar wat moet je doen als het Openbaar Ministerie je weigert om stukken in een vroeg stadium te verstrekken of je wordt als advocaat niet toegelaten tot je cliënt? Het nationale recht biedt daartoe helaas geen of beperkt soelaas, de gang naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens lijkt dan een logische stap, om iets te doen aan deze (voortdurende) schendingen van het recht op een eerlijk proces in een vroeg stadium van de procedure. Helaas steekt het Europese Hof van de Rechten van de Mens hier een stokje voor.

Onlangs werd in Nederlandse Jurisprudentie, nr. 50, de uitspraak van 28 augustus 2012 van Simons vs. België gepubliceerd. De reden van deze vertraagde publicatie is onbekend, maar dat maakt deze uitspraak niet minder interessant. In deze zaak werd geklaagd over het feit dat de Belgische wet niet voorziet in de mogelijkheid voor een gedetineerde om bijgestaan te worden door een advocaat vanaf het begin van de politiedetentie. Echter, het Europees Hof oordeelt dat de klacht over schending van artikel 6 EVRM prematuur is nu de zaak zich nog in de onderzoeksfase bevindt en schending van genoemd artikel enkel wordt beoordeeld ten aanzien van het proces als geheel.

Op zich is deze uitspraak logisch uitgaande van artikel 35 van het EVRM waarin staat:

“The Court may only deal with the matter after all domestic remedies have been exhausted, according to the generally recognized rules of international law, and within a period of six months from the dare on which the final decision was taken”.

Wij vroegen ons in deze af of het dan nog iets uitmaakt als in de voorfase van het onderzoek de schending wel degelijk is voorgelegd aan de rechter en alle procesmogelijkheden in Nederland zijn uitgeput. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in de situatie dat bezwaar wordt gemaakt bij de rechter-commissaris in de zin van artikel 32, lid 4 Sv, ten aanzien van het niet verstrekken van processtukken. In het begin van het onderzoek komt het nogal eens voor dat onderzoekshandelingen zijn verricht en beslag is gelegd, maar de verdachte in het duister tast over de tegen hem gerezen verdenkingen. Teneinde opheldering te krijgen en te analyseren waartegen de verdachte zich moet verdedigingen, vraag hij aldus om processtukken. Indien de rechter-commissaris het bezwaar – om wat voor reden dan ook – afwijst, staat de verdediging met lege handen. Toch bestaat er op dat moment een definitieve uitspraak waar geen beroepsmogelijkheden tegen openstaan. Zou het dan toch niet mogelijk moeten zijn om deze onherroepelijke uitspraak en mogelijke schending van artikel 6 EVRM voor te leggen aan het Europese Hof?

Artikel 6, lid 3, EVRM is duidelijk, zodra er sprake is van een ‘criminal charge’ heeft de verdachte recht om te weten waarvan hij precies wordt verdacht. Het Openbaar Ministerie is hier in sommige zaken in een vroeg stadium niet al te duidelijk over, waardoor de verdediging wordt beperkt in zijn verdedigingsrechten. Dit absolute recht op informatie lijkt echter door het Europese Hof niet dermate absoluut te worden uitgelegd. Immers, worden deze schendingen in het licht van artikel 6, lid 1, EVRM beschouwd. Een voorbeeld van een dergelijke uitspraak is Dallos v. Hongarije waarin het volgende werd geoordeeld:  

Article 6 § 3 (a) of the Convention affords the defendant the right to be informed not only of the “cause” of the accusation, that is to say the acts he is alleged to have committed and on which the accusation is based, but also the legal characterisation given to those acts. That information should be detailed (see Pélissier and Sassi v. France [GC], no. 25444/94, § 51, ECHR 1999-II).

The scope of the above provision must in particular be assessed in the light of the more general right to a fair hearing guaranteed by Article 6 § 1 of the Convention. In criminal matters the provision of full, detailed information concerning the charges against a defendant, and consequently the legal characterisation that the court might adopt in the matter, is an essential prerequisite for ensuring that the proceedings are fair. In this respect it is to be observed that Article 6 § 3 (a) does not impose any special formal requirement as to the manner in which the accused is to be informed of the nature and cause of the accusation against him.

(…)

52. Accepting the Government’s argument on this point, the Court therefore considers that the applicant had the opportunity to advance before the Supreme Court his defence in respect of the reformulated charge. Assessing the fairness of the proceedings as a whole – and in view of the nature of the examination of the case before the Supreme Court – the Court is satisfied that any defects in the proceedings before the Regional Court were cured before the Supreme Court.

The Court is therefore convinced that the applicant’s rights to be informed in detail of the nature and cause of the accusation against him and to have adequate time and facilities for the preparation of his defence were not infringed.”

Uit de aanpak van het Europese Hof blijkt dat het Hof achteraf ‘tevreden’ is indien enige gerezen vormverzuimen op een later moment zijn hersteld. Kennelijk kunnen onherstelbare vormverzuimen worden ‘genezen’. Door deze houding van het Hof ten aanzien van onherstelbare vormverzuimen wordt het wel erg makkelijk gemaakt voor het Openbaar Ministerie. En voor de verdediging wordt het steeds moeilijker gemaakt om de afzonderlijk rechten op een eerlijk proces voor zijn cliënt te effectueren.

Als onherstelbare vormverzuimen kunnen worden genezen, hoe genezen wij het Openbaar Ministerie van het maken van onherstelbare vormverzuimen?

#045: Is het al woensdag?

Het afgelopen jaar hebben wij wekelijks met veel plezier een onderwerp uit de actualiteit behandeld op vaklunch.nl. De jurisprudentie en vakliteratuur leverden daarvoor meer dan voldoende inspiratie op. Dit initiatief kon op veel leuke, grappige en kritische reacties van onze volgers rekenen. Veel dank daarvoor!
 
Inmiddels staan de feestdagen voor de deur en zullen jullie deze weken op de vaklunchwoensdag aan het kerstdiner dan wel aan de oliebollen zitten. Net als wij! Voor degenen die vaklunch.nl eigenlijk niet kunnen missen; in week twee zijn wij er al weer!
 
Voor nu wensen wij jullie prettige kerstdagen en een mooie jaarwisseling, graag tot 8 januari 2014!