#085: Big Brother is watching you

Het Strafblad heeft de oktober editie geheel aan het onderwerp ‘massadataverzameling en privacy’ gewijd. Twee termen die aan de orde van de dag zijn. Overal om ons heen wordt constant data verzameld en als we de nieuwsberichten mogen geloven wordt daarmee ons recht op privacy in voorkomende gevallen geschonden. Het nieuwe Systeem Risico Indicatie (SyRI) van de Belastingdienst gaat grote hoeveelheden persoonsgegevens van burgers aan elkaar koppelen om daaruit te destilleren of zij frauderen met belastinggelden of uitkeringen. Ook worden politie-, justitie- en telefoongegevens bewaard. Hoewel het bewaren van deze gegevens aan strikte bewaartermijnen is verbonden lijkt het toezicht op de naleving van die termijn niet altijd te worden nageleefd. Informatie over verdachten en veroordeelden blijft in de digitale wereld vaak (te) lang beschikbaar en toegankelijk. Niet in de laatste plaats door de ‘zoekmachines’ op internet. Gelukkig is recentelijk bij het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie een lichte tegenbeweging ontstaan tegen het verzamelen van massadata en wordt het recht op privacy weer in ogenschouw genomen. Is dat voldoende? Of had George Orwell toch gelijk met zijn vooruitziende blik dat wij onder de controle van het alziend oog van Big Brother staan?

Op 8 april 2014 heeft het Hof van Justitie de Europese dataretentierichtlijn ongeldig verklaard. De EU-richtlijn die de bewaarplicht regelt van klantgegevens van telecomaanbieders ten behoeve van politie- en veiligheidsdiensten is ongeldig. De richtlijn is in strijd met het recht op privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals beschermd door het EU-Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof spreekt van een ‘zeer omvangrijke en bijzonder ernstige’ inbreuk op de fundamentele rechten die niet gerechtvaardigd kan worden. De bewaarplicht geldt voor alle Europese burgers en kan burgers het gevoel geven altijd en overal in de gaten te worden gehouden door overheden. Dus duikt dergelijke data op als bewijs in een strafzaak, ga dan met dit arrest aan de slag.

Op 13 mei 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie nog een uitspraak gedaan in verband  met het recht op privacy. Het inmiddels bekende  Costeja-arrest. Allereerst oordeelt het Hof dat artikel 2, sub b en d, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 zo moet worden uitgelegd dat de activiteit van een zoekmachine moet worden gekwalificeerd als “verwerking van persoonsgegevens” indien deze informatie persoonsgegevens bevat, en dat de betreffende zoekmachine moet worden geacht de “verantwoordelijke” voor deze verwerking te zijn.

In dit kader bepaalt het Hof dat onderzocht moet worden of de betrokkene het recht heeft dat bepaalde zoekresultaten die aan zijn naam zijn verbonden niet  (meer) worden getoond, een dergelijk recht veronderstelt dat de opneming van die informatie in de resultatenlijst deze betrokkene schade toebrengt. Aangezien laatstgenoemde op basis van zijn – door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde – grondrechten kan verlangen dat de betrokken informatie niet meer door de opneming ervan in een dergelijke resultatenlijst ter beschikking wordt gesteld van het grote publiek, krijgen deze rechten in beginsel voorrang op het economische belang van de exploitant van de zoekmachine, alsook op het belang van dit publiek om toegang tot deze informatie te krijgen wanneer op de naam van deze persoon wordt gezocht. Dit zal echter niet zo zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen, zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek erbij heeft om toegang tot de persoonlijke informatie te krijgen.

In Nederland is direct een beroep op dit arrest gedaan. Een verdachte heeft bij de voorzieningenrechter geëist dat bepaalde zoekresultaten – indien op zijn naam wordt gezocht – worden verwijderd. De voorzieningenrechter oordeelde op 18 september 2014 dat voor beantwoording van de vraag of Google Inc moet overgaan tot het verwijderen van URL’s die volgen op het invoeren van de naam van de verdachte in Google Search,  ingevolge het Costeja-arrest van belang is of de verkregen informatie, gelet op het geheel van de omstandigheden van het geval, ontoereikend, niet of niet meer ter zake dienend (irrelevant) of bovenmatig is ten aanzien van het doel van de betrokken verwerking door Google Inc. Voor de vraag of eiser terecht een beroep doet op de Wet bescherming persoonsgegevens dient ingevolge het Costeja-arrest te worden nagegaan of zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met de bijzondere situatie van eiser zich ertegen verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat negatieve publiciteit als gevolg van een ernstig misdrijf in zijn algemeenheid juist blijvend relevante informatie over een persoon is. Dat de zoekresultaten verwijzen naar berichten die ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn, is onvoldoende onderbouwd.

Vind jij dat de voorzieningenrechter het Costeja-arrest voldoende toepast en het recht op privacy beschermt? Zou het oordeel van de rechter door tijdsverloop nog anders kunnen uitpakken?

Geen reacties

Plaats een reactie