#381: De bewijslastverdeling

De bewijslast in een strafrechtelijke procedure ligt bij het Openbaar Ministerie. De achterliggende reden hiervoor is dat een verdachte onschuldig is totdat het tegendeel bewezen is. Dit is ook in lijn met artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar wanneer is aan die bewijslast voldaan? Kan het Openbaar Ministerie werken met aannames en vermoedens als bewijsmiddelen? Een recent vonnis van de Rechtbank Amsterdam toont aan dat de bewijslast van het Openbaar Ministerie meer omvat dan het opwerpen van vermoedens en aannames.

In deze zaak wordt de verdachte verweten dat hij een drietal facturen valselijk heeft opgemaakt omdat hij voor de gefactureerde uren niet zou hebben gewerkt. Deze facturen zou hij hebben ingediend bij de Gemeente in Amsterdam in verband met werk voor een vertrouwelijke campagne. Ten aanzien van 1 factuur meent het Openbaar Ministerie dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat bewijs ontbreekt voor het feit dat de verdachte de gefactureerde uren niet zou hebben gewerkt. Ten aanzien van de andere twee facturen bepleit het Openbaar Ministerie echter dat uit het verrichtte onderzoek volgt dat er geen bewijs is voor het feit dat de verdachte aan het project heeft gewerkt. Verder meent het Openbaar Ministerie dat het onwaarschijnlijk is dat de verdachte 2×180 uur die maanden heeft gewerkt in combinatie met zijn andere werkzaamheden.

Dit soort redenering van het Openbaar Ministerie lijken misschien in eerste instantie op bewijsmiddelen maar zijn dat niet. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bewijzen dat de verdachte niet of minder uren heeft gewerkt dan op de facturen staan. Dat het onderzoek geen bewijs heeft gevonden voor de werkzaamheden betekent nog niet dat de werkzaamheden niet zijn verricht. Dit kan immers ook aan de kwaliteit van het onderzoek liggen. Ook de onwaarschijnlijkheid van een gebeurtenis betekent niet dat dit bewijs oplevert voor het feit dat iets niet is gebeurd.

De rechtbank maakt korte metten met de zogenaamde bewijsmiddelen van het Openbaar Ministerie. Het onderzoek van de politie heeft er kennelijk voornamelijk uit bestaan dat de verdachte andere wel geregistreerde werkzaamheden heeft gedaan. Hieruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat de andere werkzaamheden niet zijn verricht. Bovendien zijn dit volgens de rechtbank niet zoveel uren dat het redelijkerwijs niet meer zo kan zijn dat de verdachte 180 uur voor het andere project heeft gewerkt.

Het onderzoek is aldus te beperkt geweest om concrete bewijsmiddelen aan te dragen voor de verwijten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij. Geheel terecht wat ons betreft. Het is aan het Openbaar Ministerie om op basis van het gedane onderzoek bewijsmiddelen aan te dragen voor de ten laste gelegde feiten. Volgen er geen concrete bewijsmiddelen uit het onderzoek dan is een vrijspraak het logische gevolg.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie