#359: De bewijslast van opzet

Artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht kent twee vormen van valsheid in geschrifte: lid 1 ziet op het valselijk opmaken van een geschrift en lid 2 ziet op het gebruik maken van een geschrift als ware het echt of onvervalst is. Voor wat betreft de laatste variant dient sprake te zijn van opzet op het gebruik van het vervalste geschrift. Dit betekent ook dat de verdachte wetenschap dient te hebben van het valse of vervalste karakter van de geschriften. Recent is een arrest van het Hof Amsterdam gepubliceerd waarin de bewijslast voor het opzet kritisch wordt beoordeeld.

De zaak gaat in de kern over de vraag of een werkgeversverklaring valselijk is opgemaakt ten behoeve van een registratie aanvraag voor de Europese Unie. De verdachte had de medeverdachte op de loonlijst staan van zijn bedrijf. Tevens hadden beide verdachten verklaard een relatie met elkaar te hebben. Voor de vraag of de werkgeversverklaring vals is, is onderzoek gedaan in de bedrijfsadministratie van het betreffende bedrijf. In deze administratie zijn lijsten aangetroffen met daarop de namen van de werknemers met de salarissen van de betreffende maand. De namen en salarissen die hierop staan komen overeen met de maandloon aangiften van het bedrijf. De naam van de medeverdachte komt voor twee opeenvolgende maanden voor op deze lijsten. Voor de overige maanden ontbreekt de naam van de medeverdachte op deze lijsten. De medeverdachte heeft ook erkend dat zij in andere maanden geen werkzaamheden heeft uitgevoerd.

Op basis van deze feiten komt het Hof aldus tot de conclusie dat de werkgeversverklaring onjuist is. Voor een bewezenverklaring op grond van artikel 225 lid 2 van het Wetboek van strafrecht is echter vereist dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet moet hebben gehad op het gebruik maken van het geschrift, als ware het echt en onvervalst, alsook op het valse of vervalste karakter van het geschrift.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de medeverdachte ofwel zijn vriendin daadwerkelijk werkzaam was bij het bedrijf en dat hij dus niet wist dat de werkgeversverklaring niet zou kloppen. Voor het overige zitten er geen bewijsmiddelen in het dossier waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte een andere veronderstelling had over deze feiten. Hoewel het Hof de verklaring van de verdachte kenmerkt als opmerkelijk is dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van opzet te komen.

Wij onderschrijven dit arrest van het Hof van harte. Het is aan het Openbaar Ministerie om het bewijs van opzet te verzamelen. Er simpelweg vanuit gaan dat iemand op de hoogte is van een bepaalde onjuistheid is onvoldoende. Zelfs als de verklaring van de verdachte als opmerkelijk is te bestempelen dan levert dit nog geen bewijs van opzet. De strafrechtelijke bewijslat voor opzet ligt gelukkig een stuk hoger.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

 

Geen reacties

Plaats een reactie