#362: Beslag: er zijn grenzen

Het Openbaar Ministerie heeft vergaande mogelijkheden om beslag te leggen. Beslag kan op basis van het Wetboek van Strafvordering worden gelegd in het kader van de waarheidsvinding, ten behoeve van een verbeurdverklaring of tot zekerheid van verhaal voor een op te leggen geldboete of een ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dat beslag kan de beslagene een klaagschrift indienen bij de rechtbank. Zoals wij in Vaklunches #37, #185 en #354 al schreven blijkt het in de praktijk geen sinecure om met succes tegen beslag te klagen. Toch dienen zich in de praktijk met enige regelmaat succesvolle voorbeelden aan.

In een klaagschriftprocedure moet worden beoordeeld of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 en 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. De Hoge Raad gaf in 2010 een spoorboekje voor beslagzaken. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring zal komen of bijvoorbeeld tot een verbeurdverklaring van een specifiek voorwerp.  Op basis van artikel 33a Sr zijn onder meer voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren en die uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en voorwerpen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan of voorbereid, vatbaar voor verbeurdverklaring. Als beslag is gelegd ter verbeurdverklaring is het dus van belang om te beoordelen of het specifieke voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring.

In de zaak waar Rechtbank Amsterdam over oordeelde gaat het om een verdenking van het plegen van belastingfraude, meer specifiek zouden de inkomsten uit het geven van autorijlessen niet zijn aangegeven. Het Openbaar Ministerie legt vervolgens beslag op een telefoon en een auto ter verbeurdverklaring. Tegen het beslag is geklaagd. In dat kader is aangevoerd dat de auto niet is gebruikt bij het plegen van de belastingfraude. Daarnaast zou eerder zijn aangegeven dat de telefoon zou worden geretourneerd zodra deze was uitgelezen. Het Openbaar Ministerie stelt dat de telefoon is aangeschaft uit gelden van de belastingfraude en dat de auto is gebruikt bij het plegen van de belastingfraude.

De rechtbank heeft geoordeeld – op basis van voormeld spoorboekje van de Hoge Raad – dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de telefoon zal uitspreken. De reden daarvoor is dat de verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon heeft gekocht met de opbrengsten uit de rijlessen. Ook heeft hij verklaard dat hij het belastingtechnisch niet zo handig zou hebben aangepakt.

Het oordeel ten aanzien van de auto luidt anders. De rechtbank oordeelt dat de auto niet betrokken is geweest bij het plegen van het strafbare feit. Het geld dat volgens de verdenking niet is aangegeven door de verdachte is weliswaar verdiend met rijlessen die met de bewuste auto zijn verzorgd. Maar dat staat niet ter discussie. De auto is niet betrokken geweest bij wat er vervolgens met het geld is gebeurd. Om die reden is er geen grond voor een eventuele verbeurdverklaring van de auto. De rechtbank oordeelt dan ook dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal uitspreken. Ons inziens is dit een juiste beslissing. Deze beslissing laat ook maar weer eens zien dat het de moeite loont om kritisch na te gaan of het beslagen voorwerp ter verbeurdverklaring zich überhaupt leent voor verbeurdverklaring of niet.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie