#633: Het beroepsverbod: precisie vereist!

De Hoge Raad heeft zich onlangs uitgesproken over de reikwijdte van het beroepsverbod als bijkomende straf. In deze zaak werd een verdachte veroordeeld voor grootschalige btw-fraude en het opzettelijk deponeren van onjuiste jaarrekeningen. Het hof legde, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, een beroepsverbod op: de verdachte mocht vijf jaar lang niet het beroep van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’ én ‘bestuurder van een rechtspersoon’ uitoefenen. De vraag is of een dergelijk breed geformuleerd verbod toelaatbaar is.

De spagaat van het beroepsverbod

Eerder schreven we in #068, #183 en #314 al over het beroepsverbod: artikel 28 lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de rechter een veroordeelde kan ontzetten van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen, mits het strafbare feit in de uitoefening van dat beroep is gepleegd en sprake is van een in de wet bepaald geval. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever terughoudendheid geboden acht: een beroepsverbod is een zware sanctie, bedoeld voor uitzonderlijke gevallen. Dit in combinatie met het gegeven dat het begrip ‘beroep’ niet nader is gedefinieerd in het Wetboek van Strafrecht, maakt dat het des te meer vragen oproept over hoe omgegaan moet worden met een beroepsverbod. Zolang de wet geen duidelijke definitie biedt en de parlementaire geschiedenis benadrukt dat het om een uitzonderlijk zware maatregel gaat, blijft het zoeken naar de juiste balans tussen speciale preventie en het waarborgen van rechtszekerheid voor de veroordeelde.

Het arrest: geen vaagheid, wel precisie

In de zaak oordeelde de Hoge Raad dat het hof het beroepsverbod te ruim had geformuleerd. Het begrip ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’ is te vaag en te ruim. Het omvat immers alles van de zzp-taxichauffeur tot de multinational-directeur. De rechter moet het beroep waarop het verbod ziet, voldoende specifiek omschrijven én het verband met het gepleegde feit duidelijk maken. Alleen het verbod op het uitoefenen van het beroep van ‘bestuurder van een rechtspersoon’ bleef overeind, omdat dat blijkens de parlementaire geschiedenis voldoende bepaald is en direct verband houdt met de gepleegde fraude. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat het verbod op het uitoefenen van het beroep van ‘feitelijk leidinggever’ niet kan worden aangemerkt als een voldoende bepaald beroep. Tegelijkertijd is het wel mogelijk dat de ontzetting betrekking heeft op een specifiek omschreven vorm van bedrijfsuitoefening, waarvan leidinggeven aan activiteiten van een rechtspersoon deel kan uitmaken.

Kritische kanttekening

Wat ons betreft is het onderscheid dat de Hoge Raad en de wetgever maken tussen de begrippen ‘bestuurder’, ‘ondernemer’ en ‘feitelijk leidinggever’ niet overtuigend te rechtvaardigen. Het is immers niet logisch dat ‘bestuurder’ als voldoende bepaald wordt aangemerkt, terwijl ‘ondernemer’ en ‘feitelijk leidinggever’ als te vaag worden beschouwd, nu alle drie deze begrippen in essentie functies of rollen binnen een organisatie betreffen en geen klassieke, eenduidig afgebakende beroepen zijn. In de praktijk overlappen deze rollen vaak en is het onderscheid diffuus, waardoor het onduidelijk blijft waarom het beroepsverbod voor de ene rol wel en voor de andere niet mogelijk zou zijn. Daarbij komt dat ook het begrip ‘bestuurder’ in de praktijk niet altijd eenduidig is, aangezien de invulling daarvan per organisatie kan verschillen en afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Net als bij ‘ondernemer’ en ‘feitelijk leidinggever’ bestaat er ruimte voor interpretatie en discussie over wie als bestuurder kwalificeert. Gelet op de verstrekkende gevolgen van een beroepsverbod zou men juist verwachten dat de rechter uiterst terughoudend is met het aannemen van voldoende bepaaldheid, temeer nu het opleggen van een dergelijk verbod diep ingrijpt in de beroepsmogelijkheden van de betrokkene.

Praktische gevolgen: het belang van duidelijke afbakening

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dat het opleggen van een beroepsverbod uiterste precisie en zorgvuldigheid vereist, juist omdat de begrippen ‘bestuurder’, ‘ondernemer’ en ‘feitelijk leidinggever’ in de praktijk vaak overlappen en niet eenduidig zijn afgebakend. Dit onderstreept het belang van een scherp geformuleerd beroepsverbod dat nauw aansluit bij het concrete strafbare feit en de specifieke omstandigheden van het geval. Voor de verdediging betekent dit dat het essentieel is kritisch te kijken naar de exacte bewoordingen van het beroepsverbod, zodat de maatregel niet verder reikt dan strikt noodzakelijk en de beroepsmogelijkheden van de betrokkene niet onnodig worden beperkt. In de huidige stand van de wetgeving en rechtspraak rust op de rechter de verantwoordelijkheid om het beroepsverbod zorgvuldig en specifiek te formuleren, waarbij terughoudendheid gepast is gezien de verstrekkende gevolgen voor de veroordeelde.

Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments

Post a Comment