#400: Afpakken via een shortcut

‘Afpakken’ staat al jarenlang hoog op de agenda bij het Openbaar Ministerie. Het afnemen van objecten die mogelijk afkomstig zijn uit misdrijf kan onder de huidige wetgeving nadat een verdachte is veroordeeld. Dat kan in de vorm van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook kunnen voorwerpen verbeurd worden verklaard. Dat betekent overigens niet dat het Openbaar Ministerie tot dat moment de voorwerpen met rust laat. In de regel wordt ruim beslag gelegd op bankrekeningen en voorwerpen, welk beslag vervolgens vaak jarenlang – tot er een onherroepelijke uitspraak is – blijft gehandhaafd. Toch wil de Minister van Justitie nog meer mogelijkheden om vermogen af te pakken dan die er al zijn en waar we in Vaklunch #240 over schreven.

De Minister van Justitie wil dat het mogelijk wordt voorwerpen te confisqueren zonder dat iemand wordt veroordeeld. De procedure is gericht tegen het voorwerp zelf; niet op een persoon. Het gaat dan om de Non Conviction Based Confiscation (NCBC). Het voorstel speelt in op de behoefte die daartoe volgens de minister bestaat, teneinde effectiever en sneller te kunnen optreden. Het gaat dan om situaties waarin, in of buiten het kader van een opsporingsonderzoek, objecten worden aangetroffen ten aanzien waarvan het aannemelijk is dat die door misdrijf zijn verkregen zonder dat kan worden bewezen dat een verdachte een concreet strafbaar feit heeft gepleegd. Het gaat dan om voorwerpen met een kennelijke criminele oorsprong maar ook om voorwerpen die het resultaat zijn van herinvestering van opbrengsten van misdrijven.

Het wetsvoorstel wordt uitgewerkt en het concept wordt in het voorjaar verwacht. Wat de exacte reikwijdte van het voorstel zal zijn is dus nog niet duidelijk. Maar de minister licht al wel een tipje van de sluier op:

“Met het oog op de rechtsbescherming zal worden voorzien in een verplichting voor de overheid als initiërende partij tot het informeren van de betrokkene of anderszins rechthebbende(n) over de procedure en tot het verrichten van de nodige naspeuringen indien de betrokkene of anderszins rechthebbende(n) onbekend is. In beginsel draagt de overheid de bewijslast van de stelling dat het aannemelijk is dat het voorwerp in verband staat met strafbare feiten. Als daartoe aangewezen overheidsinstantie erin in slaagt dit aannemelijk te maken, dan kan de betrokkene die daartegen verweer wil voeren, niet volstaan met een verweer dat niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Een gemotiveerde aanspraak van de overheid zal gemotiveerd moeten worden betwist.”

 Daarmee lijkt dit voorstel een lagere bewijslast voor het Openbaar Ministerie in te houden dan artikel 6 EVRM voorschrijft in het geval van verdenking van een persoon. De rechthebbenden van voorwerpen worden geconfronteerd met een zwaardere bewijslast dan via het zogenaamde ‘witwasstappenplan’, waar van de verdachte van witwassen van een onbekend gronddelict een verklaring over de herkomst van het vermogen wordt verlangd. Die verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, zoals ook is beschreven in Vaklunch #355. Via deze nieuwe route lijkt het Openbaar Ministerie het zichzelf makkelijk te maken en wordt de bewijslast voor de rechthebbende van het voorwerp verhoogd om de legitieme herkomst aan te tonen. Het is niet moeilijk voorstelbaar dat het Openbaar Ministerie – vanwege de snelheid en beperkte bewijslast – een dergelijk afpakmiddel vaak zal (willen) inzetten.

Met name op dit punt van rechtsbescherming zal kritisch naar het wetsvoorstel moeten worden gekeken. Voorkomen moet worden dat het al te gemakkelijk wordt om voorwerpen af te nemen en de rechtsbescherming een wassen neus wordt. Het Openbaar Ministerie heeft het immers ook niet altijd bij het rechte eind.  Daarnaast zou het middel ook kunnen leiden tot het omzeilen van een witwasonderzoek naar een persoon, waar de bewijsdrempel voor het Openbaar Ministerie hoger lijkt te zullen liggen. Als het middel van de confiscatie zonder veroordeling al mogelijk zou worden, dan dienen ons inziens ook strikte eisen te worden gesteld aan de situaties waarin het middel mag worden ingezet.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie