#417: De (vol)macht van de Hoge Raad

De Hoge Raad is duidelijk: een volmacht die de advocaat aan de griffie zendt ten behoeve van het indienen van een rechtsmiddel dient te voldoen aan specifieke eisen. Voldoet de volmacht niet aan die eisen dan is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. Een fout kan in de praktijk worden gemaakt en heeft verstrekkende gevolgen voor de verdachte. Zeker als het gaat om een veroordeling met een vrijheidsbenemende straf. De verdachte staat dan met lege handen. Maar in sommige gevallen toont de Hoge Raad zich – ons inziens geheel terecht – milder.

In Vaklunch #321 besteedden we al aandacht aan de bepaaldelijke volmacht die de advocaat dient te geven bij het instellen van hoger beroep. De volmacht die de advocaat aan de griffie verzendt, dient volgens de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad de volgende elementen te bevatten:

  1. een verklaring van de advocaat dat hij tot het instellen van het hoger beroep door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd;
  2. ii) een verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep;
  • iii) de vermelding van het door de verdachte opgegeven adres waarnaar een afschrift van de appeldagvaarding kan worden gezonden.

In verschillende situaties leverde het ontbreken van de verklaring dat de advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd is door de verdachte een niet-ontvankelijkheid op voor de verdachte. Dat was bijvoorbeeld aan de orde in het arrest van Gerechtshof Den Haag van 3 april 2019 en in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2016. In die laatste zaak had het Hof het volgende overwogen: “De omstandigheid dat door verdachtes raadsman abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld levert niet een zodanige bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid op dat deze de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.” Dat getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Het is maar de vraag of dit door de beugel zou kunnen volgens het EHRM. In de zaak Czekalla t. Portugal had de advocaat een cassatieschriftuur ingediend die niet voldeed aan de hiervoor gestelde eisen. Nadat het EHRM vooropstelt dat een Staat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor iedere onvolledigheid of fout in de verdediging van een verdachte, oordeelt het EHRM dat de verdachte voor wat betreft de procedure in hoger beroep “did not enjoy, as article 6 § 3 (c) required, a practical and effective defence”. Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat de fout puur van formele aard was, de verdachte een lange gevangenisstraf boven het hoofd hing en de verdachte de taal niet sprak waarin de procedure werd gevoerd.

In een zaak waar de Hoge Raad recent over oordeelde had de advocaat-generaal in lijn met de standaardjurisprudentie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad ging daar toch niet in mee en betrekt in de overweging de inhoud van de door de griffier opgemaakte cassatieschriftuur : Deze akte houdt in als verklaring van die medewerker dat hij de schriftelijk gemachtigde is van de betrokkene en dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd om namens de betrokkene cassatie in te stellen.” Ook blijkt uit een e-mail van de betrokken advocaat dat hij een schriftelijke volmacht zou toezenden. Deze volmacht zit echter niet in het dossier. De Hoge Raad oordeelt niettemin: “Gelet op dit samenstel van omstandigheden houdt de Hoge Raad het ervoor dat de advocaat (…) voorafgaand aan het opmaken van de akte alsnog een schriftelijke volmacht, zoals hiervoor is bedoeld, aan de griffiemedewerker heeft doen toekomen en dat deze schriftelijke volmacht later in het ongerede is geraakt. Het in het ongerede raken van de schriftelijke volmacht dient niet ten nadele van de betrokkene te strekken. De betrokkene is daarom ontvankelijk in zijn beroep.”

Ons inziens is het een terecht oordeel van de Hoge Raad en loopt het – in ieder geval qua ontvankelijkheid – goed af voor de verdachte. Hoewel een al te formalistische benadering door de Hoge Raad ons inziens niet past bij de lijn van het EHRM die beoogt een eerlijk proces voor de verdachte te waarborgen, doet de verdediging er goed aan zeer alert te blijven op de formaliteiten om onnodige discussies omtrent de ontvankelijkheid te voorkomen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie