#390: Wie zich brandt..

In de jurisprudentie zijn vele voorbeelden te vinden van zaken waarin de verdediging heeft weten bloot te leggen dat het onderzoek gemankeerd is. Hoewel de jurisprudentie rondom vormverzuimen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden toelaat dat dergelijke mankementen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dienen te leiden, lijken rechters steeds meer gronden te zien om te oordelen dat het onderzoek onvoldoende is. Wij wezen in Vaklunch #380 al op de lezenswaardige conclusie van advocaat-generaal mr. Bleichrodt van 30 juni 2020 (r.o. 181 – 189). Deze aanmoediging om kritisch te zijn op het opsporingsonderzoek van het Openbaar Ministerie en niet te schromen gevolgen te verbinden aan mankementen lijkt te resoneren bij feitenrechters.

Wij concludeerden in Vaklunch #380 al dat de heersende gedachte dat een verdachte nooit en te nimmer voordeel mag hebben van fouten van de opsporingsinstantie, lijkt langzaamaan ruimte te maken voor de meer genuanceerde gedachte dat strafrechtelijke onderzoeken zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Het onderzoek moet dusdanig stevig zijn dat het onderzoek het ingrijpende middel van de inzet van het strafrecht en een openbare terechtzitting kan dragen. Een zaak waar Rechtbank Zeeland-West-Brabant recent over oordeelde leidde tot de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.

In deze zaak werd de betrokkene onder meer verdacht van zware mishandeling. Het feit zou zijn gepleegd in juni 2016. Daarnaast werd de betrokkene onder meer verdacht van het ter beschikking hebben van verschillende wapens in januari 2017. De verdediging heeft ter zitting op 25 augustus 2020 een preliminair verweer gevoerd met als conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van forse overschrijding van de redelijke termijn, een schending van de verbaliseerplicht en handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Ten aanzien van de termijnoverschrijding oordeelt de rechtbank dat aangesloten dient te worden bij de aanhouding van de verdachte in januari 2017. Op dat moment kon hij ervan uitgaan dat hij vervolgd zou worden. De rechtbank oordeelt dat hoewel een deel van de overschrijding van de termijn komt door de maatregelen tegen het Corona virus zoals het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd, het overgrote deel is veroorzaakt door het feit dat het concrete onderzoek laat is gestart en lang heeft geduurd. Aldus is sprake van een schending.

Ten aanzien van de verbaliseerplicht oordeelt de rechtbank dat deze niet is geschonden. Het is afdoende om een zakelijke weergave te geven van de verklaringen van de getuigen die gehoord zijn. Niettemin onderkent de rechtbank dat het de verdediging ernstig is bemoeilijkt om onderzoek à décharge te doen. Het procesdossier van het politieonderzoek – dat lang heeft geduurd – was erg beperkt qua inhoud waardoor het noodzakelijk was om geruime tijd na het incident aanvullende getuigen te horen. In dat geval is het risico groot dat zij niet meer precies weten wat er is gebeurd, waardoor er grote verschillen tussen verklaringen kunnen ontstaan. De rechtbank oordeelt: “Het wordt voor de verdediging dan moeilijk om getuigen alsnog adequaat te ondervragen en mede daardoor een eerlijk proces te waarborgen.”

Volgens de rechtbank is ook het vertrouwensbeginsel geschonden. De officier van justitie had toegezegd enkel te dagvaarden voor openlijke geweldpleging. Dat erkent de officier van justitie ook. De rechtbank overweegt: “De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat dit het gevolg is geweest van een intern communicatieprobleem. De officier van justitie heeft echter nagelaten om deze fout bij het uitbrengen van de dagvaarding voor de zitting te herstellen en heeft ook ter zitting nagelaten de situatie te corrigeren. De officier van justitie heeft immers niet een wijziging van de tenlastelegging aangekondigd, maar volstaan met de mededeling dat hij geen veroordeling voor het primair en subsidiair tenlastegelegde zal vorderen. Daardoor liggen de verdenkingen onder primair en subsidiair nog wel ter beoordeling aan de rechtbank voor, die op basis daarvan tot een ander oordeel zou kunnen komen.”

Volgens de rechtbank zijn deze punten ieder afzonderlijk geen reden om tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te concluderen. Maar er is volgens de rechtbank wel sprake van een dusdanige combinatie van “onherstelbare onrechtmatigheden en ongelukkige keuzes, dat het recht van verdachte op een eerlijk proces in vergaande mate onder druk is komen te staan”. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden enkel een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie passend is.
Ons inziens is dit een juist oordeel van de rechtbank. Het Openbaar Ministerie is met een zware en serieuze taak belast die verstrekkende gevolgen heeft voor individuen. Reden genoeg om onderzoeken zorgvuldig uit te voeren en toezeggingen na te komen. Een fout kan weliswaar gemaakt worden, maar bij structurele misstappen moet ook het Openbaar Ministerie op de blaren zitten en is het vervolgingsrecht verspeeld.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie