#348: Daadwerkelijk deelnemen aan het onderzoek

Bijstand aan de verdachte tijdens het politie verhoor is al jaar en dag een hot topic. De ervaringen van advocaten in hoeverre zij de kans krijgen een rol te vervullen tijdens het verhoor lopen sterk uiteen. Met de komst van de Europese richtlijn  betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedure is hier meer duidelijkheid over gekomen. Toch doet de term ‘daadwerkelijk deelnemen’ aan het verhoor door de advocaat vragen oproepen. Een vraag is bijvoorbeeld; kun je zonder kennis van de processtukken wel goed adviseren over de proceshouding van de verdachte en daarmee dus ‘daadwerkelijk deelnemen’ aan het verhoor?

De richtlijn is uitgewerkt in het besluit inrichting en orde politieverhoor. Hierin is opgenomen welke bevoegdheden de raadsman tijdens het verhoor heeft, In Vaklunch #83 is dit verder beschreven. Recent heeft de Hoge Raad  arrest gewezen in een zaak waarin de raadsman zich op het standpunt had gesteld dat hij onvoldoende in de gelegenheid is geweest om in het voorbereidend onderzoek ‘daadwerkelijke rechtsbijstand’ te verlenen. Hij stelde dat er geen sprake is geweest van effectieve deelname aan de politieverhoren, met name omdat hem geen (tijdige) inzage is gegeven in alle processtukken. Het verzoek van de raadsman om hierover prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie te stellen is steeds afgewezen. Het Gerechtshof heeft ook vastgesteld dat dat de raadsman steeds bij de verhoren aanwezig is geweest en dat hij van ‘de rechten’ gebruik heeft mogen maken.

In cassatie wordt geklaagd over het niet stellen van prejudiciële vragen. Omdat het middel niet op komt tegen een beslissing in de uitspraak wijst de Hoge Raad het af. Ten overvloede merkt de Hoge Raad wel op dat het niet verkrijgen van processtukken in het voorbereidend onderzoek niet relevant is voor het executeren van het recht van de verdediging om daadwerkelijk deel te nemen aan het verhoor, zoals vastgelegd in de Europese richtlijn. Het daadwerkelijk deelnemen aan het verhoor is uitgewerkt in artikel 3 van de Richtlijn, terwijl het recht om kennis te nemen van stukken is uitgewerkt in artikel 7 van de Richtlijn. Daarin is bepaald dat dat recht niet onbeperkt is.

Wat ons betreft is dit arrest van de Hoge Raad onbevredigend. Het laat namelijk maar weer eens zien dat de verdachte en de verdediging in onderzoeken lange tijd moeten werken zonder dossierkennis. De praktijk leert dat dat vaker regel dan uitzondering is. Van equality of arms is alleen al op het punt van feitenkennis dus geen sprake. De verdediging tast vaak in het duister als het aankomt op de feiten en juist daarom is het soms moeilijk om een ander advies te geven aan de verdachte dan gebruik te maken van het zwijgrecht. De verdediging is simpelweg niet goed genoeg in staat om de verdachte zorgvuldig te adviseren over zijn procespositie omdat de verdediging niet over de processtukken beschikt.

Tegelijkertijd bestaat in de praktijk een roep om meer openheid van de verdachte in een vroegtijdig stadium van een onderzoek. Ook ontwikkelt de jurisprudentie zich – in ieder geval in het ‘witwasdomein’ – in een richting waarin consequenties worden verbonden aan het niet geven van openheid  door de verdachte. De roep van de verdediging om in een eerder stadium processtukken te verstrekken dient ons inziens ook beantwoord te worden. Overigens zouden wij hierin nog wel een stap verder willen gaan. De onderzoeksresultaten van het Openbaar Ministerie verworden niet zonder meer tot processtuk. Niettemin zou de verdediging ook van deze resultaten graag kennis nemen. Immers alleen dan kan de verdediging zich een volledig beeld vormen van het onderzoek en deze informatie benutten.

Hoewel het haakje waar de raadsman in deze zaak zijn verzoek aan heeft opgehangen het breiwerk niet lostrekt, maakt de raadsman wel een zeer valide punt. Het is was ons betreft aan de verdediging om alle mogelijke kansen te benutten om in een vroeger stadium toegang te krijgen tot het volledige dossier. Ook het Openbaar Ministerie zou daar voorstander van moeten zijn. Alleen dan kan de verdachte in een vroegtijdig stadium goed advies krijgen van zijn raadsman. Dit zou de efficiëntie van een onderzoek zeker ten goede komen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

Geen reacties

Plaats een reactie