#339: Een lesje verjaring

Na het opleggen van een straf of maatregel moet deze natuurlijk ook worden geëxecuteerd of ingevorderd. Het Openbaar Ministerie heeft daar echter niet eindeloos de tijd voor. Ook in het strafrecht gelden verjaringstermijnen. De rechtbank Noord-Nederland heeft deze week een mooi lesje gegeven in het verjaren van straffen en maatregelen.

De termijn van verjaring van de executie van een straf of maatregel is neergelegd in art. 76 Sr. In dit artikel is een koppeling gelegd met de verjaring van het recht om tot strafvervolging over te gaan ex art. 70 Sr. Aan de hand van het feit waarvoor iemand veroordeeld is dient dus te worden bepaald wat de verjaringstermijn is. Deze termijn dient te worden verlengd met één derde en dan kom je uit op de verjaringstermijn van de executie van een straf of maatregel. Zo klaar als een klontje zou je denken, maar toch kan er de nodige discussie over ontstaan.

In deze zaak was op 6 april 2004 een ontnemingsmaatregel opgelegd. Op 7 november 2005 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) deze ontnemingsmaatregel ter executie overgedragen gekregen. De ontnemingsmaatregel is niet betaald. Naar aanleiding daarvan heeft het Openbaar Ministerie op 7 november 2018 een vordering ingediend waarbij de officier van justitie vordert dat de rechtbank verlof verleent voor het toepassen van lijfsdwang. Dit is ruim 14 jaar na dato dus. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de executietermijn nog niet is verjaard, omdat de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld een verjaringstermijn van 12 jaren kent.

De rechtbank oordeelt echter anders. De rechtbank meent dat niet moet worden gekeken naar alle feiten waarvoor men is veroordeeld, maar naar het feit of de feiten ten aanzien waarvan de ontnemingsmaatregel is opgelegd. De rechtbank komt aan de hand daarvan tot een veel kortere verjaringstermijn en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De verjaringstermijn van het recht tot strafvordering volgt in dit geval uit art. 70 lid 1 onder 2 Sr en bedraagt zes jaren. De termijn van verjaring van het recht tot uitvoering van de ontnemingsmaatregel bedraagt daarmee (zes jaren + één derde =) acht jaren vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak ten uitvoer kon worden gelegd. Ook dit is een belangrijk gegeven.

We kunnen aldus twee lessen leren uit deze uitspraak. De executietermijn ex art. 76 Sr is verbonden aan het strafbare feit waarvoor de straf of maatregel is opgelegd. Verder start de verjaringstermijn op het moment dat de rechterlijke uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie