#318: Invordering bij onherroepelijke boete?

De rechtsbescherming in het bestuursrecht is beperkter ingericht dan in het strafrecht. Zeker als het aankomt op het gebied van invordering van bestuurlijke boetes. De Afdeling advisering van de Raad van State gaf hierover in 2015 al eens een advies aan de regering. Een van de onderwerpen die aan de orde komt in het advies is het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Waar in het strafrecht een rechtsmiddel de executie van een straf in beginsel opschort, is dat in het bestuursrecht niet het geval. Gaat dat dan alsnog veranderen?

In Vaklunch #204 schreven we al dat het bestuursrecht geen equivalent van artikel 557 Wetboek van Strafvordering kent. Een bestuurlijke boete kan dus worden ingevorderd terwijl deze nog niet onherroepelijk vaststaat. Dat geldt bijvoorbeeld in de fiscaliteit. Belastingplichtigen die eventueel naast een aanslag ook een (fikse) boete opgelegd hebben gekregen, worden in de praktijk vaak al voordat de boete onherroepelijk is geconfronteerd met de Ontvanger die niet alleen de belastingaanslag, maar ook de boete wil innen. Hoewel in de bezwaarprocedure in de regel uitstel van betaling wordt verleend, is dat in de beroepsfase in de praktijk heel anders. Naast het feit dat de belastingplichtige zich inhoudelijk verweert tegen de boete, ziet de belastingplichtige zich vaak ook genoodzaakt zich tegen de invordering te verzetten.

In het strafrecht vinden we invordering van een straf/boete als een rechtsmiddel is ingesteld (vooralsnog) ondenkbaar. Waarom bij een bestuurlijke boete dan niet?

De Raad van State concludeerde destijds in het ongevraagde advies dat de rechtsbescherming van burgers in het boetestelsel onderbelicht is geraakt. Overigens nam Rechtbank Amsterdam in december 2016 meteen actie in een zaak waar het ging om een boete van de arbeidsinspectie. Ondanks dat bezwaar was gemaakt tegen de boete, werd deze direct geïnd. De voorzieningenrechter oordeelt onder verwijzing naar het advies van de Raad van State dat ‘in een situatie waarin nog niet vaststaat of de bestuurlijke boete, ook gelet op de voor de uitoefening van de onderneming van verzoeken zou kunnen leiden, verweerder een zwaarwegend belang dient te hebben om – hangende de bezwaarprocedure – tot invordering van de boete over te gaan’. Daarvan is in deze zaak niet gebleken, het verzoek om schorsing van het besluit tot zes weken nadat op bezwaar is beslist is door de rechter toegewezen.

In Vaklunch #204 concludeerden we dat geen van de beleidsregels voorschrijft hoe om te gaan met het invorderen van een onherroepelijke bestuurlijke boete. Ook concludeerden we dat de invordering van bestuurlijke boetes die nog niet onherroepelijk zijn meer aandacht verdient dan het krijgt duidelijk is.

Inmiddels heeft de WODC onderzoekers van de Faculteit rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen verzocht onderzoek te doen naar  de schorsing van bestuurlijke boetes tijdens bezwaar en beroep. Het WODC wil antwoord op de vraag of er reden is om ook voor bestuursrechtelijke boetes te regelen dat deze pas kunnen worden ingevorderd nadat het bestuursorgaan op het bezwaar tegen de boete heeft beslist.

Wat ons betreft is het een zeer welkom onderzoek naar de mogelijkheden om de rechtsbescherming bij invordering in bestuurlijke boetezaken gelijk te stellen met de rechtsbescherming in het strafrecht. Wij zien uit naar de onderzoeksresultaten. En in de tussentijd bieden het advies van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staten en de uitspraak van Rechtbank Amsterdam aanknopingspunten om met bestuursorganen in overleg te treden over de invordering van bestuurlijke boetes die nog niet onherroepelijk zijn. Redelijk handelende bestuursorganen zullen ons inziens de argumenten van de Raad en Rechtbank Amsterdam op waarde moeten schatten.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie