#317: Geen redelijke vervolgingsbeslissing

Wanneer dient een zaak vervolgd te worden? Deze vraag moet in beginsel beantwoord worden door het Openbaar Ministerie. De rechter kan ingrijpen als de vervolgingsbeslissing in strijd is met de beginsel van een goede procesorde. De toets van de Hoge Raad om een streep door een vervolgingsbeslissing te zetten is wel streng. In Vaklunch #245 schreven wij over een zaak waar het Openbaar Ministerie volgens het Hof in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld. De Hoge Raad oordeelde echter dat een onjuiste juridische toets was aangelegd om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam is het penbaar Ministerie ook niet-ontvankelijk verklaard. Kan deze uitspraak de toets van de Hoge Raad doorstaan?

In het arrest van 2 juli 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk mag worden verklaard in verband met een onterechte vervolging indien ‘geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur’. Dit is aldus de juridische maatstaf die aangelegd moet worden.

De rechtbank in Rotterdam heeft op 15 april 2019 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens een schending van het verbod van willekeur. De zaak lag als volgt. Op 25 oktober 2011 heeft een doorzoeking plaatsgevonden bij het advocatenkantoor waar de verdachte werkzaam was. De betreffende advocaat werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder deelname aan een criminele organisatie met een aantal cliënten, mensensmokkel, valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. De organisatie zou daarmee zo een 29 miljoen euro hebben verdiend.

De rechtbank gaat eerst in op de doorzoeking die heeft plaatsgevonden. Hoewel de raadkamer op 24 juni 2014 had besloten dat de waarheidsvinding moest prevaleren boven het verschoningsrecht van de advocaat trekt de rechtbank dit nu in twijfel. De rechtbank oordeelt namelijk dat niet uit het onderzoek is gebleken van enige betrokkenheid van de verdachte bij de vermeende criminele organisatie. In de concept tenlastelegging staat dat een verdenking bestaat van de culpoze variant van mensensmokkel. Voorts gaat de officier van justitie er echter (ook) vanuit dat de verdachte door de medeverdachte is bedrogen. De rechtbank acht het gelet op de rol van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk dat het verschoningsrecht voor een doorzoeking ter inbeslagneming kon worden doorbroken.

Verder oordeelt de rechtbank dat de feitelijke rol van de verdachte beperkt is, ook de officier van justitie gaat niet meer uit van wetenschap van de verdachte bij de valse stukken. Daarbij oordeelt de rechtbank dat de mogelijke reputatieschade enorm is, het om feiten gaat die twaalf jaar geleden hebben plaatsgevonden, de mogelijkheden van onderzoek daardoor zijn beperkt en de verdachte ook al tuchtrechtelijk is aangepakt.

 Op basis daarvan komt de rechtbank tot het uiteindelijke oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Daarmee voldoet de uitspraak aldus aan het juridische criterium. Wij juichen deze belangenafweging van de rechtbank Rotterdam enorm toe. Het strafrecht moet ingezet worden als optimum remedium, waarbij een redelijke belangenafweging gemaakt dient te worden. Als de vervolging meer schade toebrengt dan redelijk is, dan dient het Openbaar Ministerie dit in de belangenafweging mee te nemen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie