#281: All things come to an end

Een verdachte en de verdediging hebben te dulden dat zij niet de regie hebben over het verloop van een strafrechtelijk onderzoek en/of een procedure. Zo komt het voor dat strafrechtelijke onderzoeken eindeloos lijken te duren, zonder dat de verdachte – mits hij niet ‘vast zit’ – jarenlang geen rechter ziet in zijn eigen zaak. De wet biedt de verdachte voor dat geval wel de mogelijkheid om een rechter-commissaris in te schakelen om de voortgang van het proces te bewaken. De rechter-commissaris heeft echter maar weinig mogelijkheden om het Openbaar Ministerie te bewegen om het proces voorspoediger te behandelen. Voor de rechter-commissaris en de verdachte resteert bij een te traag proces één optie. Het indienen van een verzoek om de zaak te beëindigen op basis van artikel 36 Wetboek van Strafvordering.

Artikel 36 Sv geeft het gerecht in feitelijke aanleg op verzoek van de verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op basis van artikel 180 Sv, de mogelijkheid te verklaren dat de zaak geëindigd is. De kans dat een dergelijk verzoek succesvol is, is blijkens de jurisprudentie niet groot. Zeker als het Openbaar Ministerie aanvoert dat op de achtergrond nog onderzoekshandelingen worden verricht en dat het Openbaar Ministerie nog altijd de wens heeft om te vervolgen, zal een dergelijk verzoek niet snel succesvol zijn.

In een recente uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland was het verzoek om de zaak te beëindigen wel succesvol. In deze zaak is de verdachte aangehouden op 29 januari 2016 op verdenking van het rijden onder invloed en het rijden zonder rijbewijs. Een paar maanden later, op 14 april 2016, zou de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvinden. Maar het onderzoek is voor onbepaalde tijd aangehouden op verzoek van de officier van justitie. Door de verdediging is herhaaldelijk geïnformeerd naar de zand van zaken, maar daarop kwam geen respons. Twee jaar na die onzekere situatie heeft de verdachte een verzoek ex artikel 36 Sv ingediend.

De Officier van Justitie heeft betoogd dat het verzoek ongegrond moet worden verklaard, dan wel dat het moet worden aangehouden in afwachting van het verloop ervan. Maar daar neemt de rechtbank geen genoegen mee. De rechtbank oordeelt: ‘Eerst na indiening van het onderhavige verzoekschrift lijkt het openbaar ministerie in actie te zijn gekomen door, zoals de officier van justitie in raadkamer heeft aangegeven, het inplannen van de zaak op de zitting van 28 juni 2018. De rechtbank acht dit handelen van het openbaar ministerie in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor verzoeker een onredelijk lange termijn in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afdoening van zijn zaak.’ Om deze reden is er geen redelijke grond meer voor voortzetting van de vervolging.

Het rappelleren van de Officier van Justitie in een dergelijk geval is aldus wel degelijk van belang.

Overigens is het ook mogelijk dat het eindeloos duurt voordat bijvoorbeeld een hoger beroep wordt gepland. De appointering van de zaak ligt niet in handen van de verdediging. Het is voor de verdediging zelfs een soort ‘black box’. Het lijkt erop dat rechtbanken en hoven pas over gaan tot de planning van de behandeling van een zaak – ook als het een hervatting is na schorsing van de behandeling – zodra zij daartoe een seintje hebben gekregen van het Openbaar Ministerie. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft al eens geoordeeld dat een verzoek ex artikel 36 Sv zich niet voor deze situatie leent, immers in dat geval lag er al een veroordelend vonnis.

Dit is een ontzettend frustrerende situatie voor de verdachte. De jurisprudentie omtrent de overschrijding van de redelijke termijn biedt ook geen oplossing. Immers volgens de standaard jurisprudentie levert die overschrijding geen niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op. Hooguit ‘strafkorting’. Dat is aldus slechts een doekje voor het bloeden. Ook in deze situaties leert de praktijk dat rappelleren van het Openbaar Ministerie én de betrokken gerechtelijke instantie soelaas kan bieden. Dan wel om de zaak alsnog op zitting te krijgen, dan wel om argumenten op te bouwen die – als de zaak dan uiteindelijk op zitting komt – benut kunnen worden, om via de strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde alsnog de vervolging niet-ontvankelijk te kunnen laten verklaren.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie