#279: Onderbuikgevoel versus de feiten

‘Geef mij de feiten, dan geef ik u het recht’. Een bekende Latijnse spreuk waarvan de rechtzoekende uitgaat dat het recht op deze manier wordt vastgesteld. Maar het vaststellen van feiten lijkt juist veelal het probleem. In sommige gevallen lijkt het rechterlijk oordeel meer tot stand te komen op basis van de Duck test: ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.’In de rechtspraak komt men deze redenering vaak tegen bij een gebrek aan feiten voor het (gewenste?) oordeel. Een overweging vangt dan aan met ‘Het kan niet anders dan dat…’. En daarmee worden conclusies getrokken op basis van indirecte feiten. Kan men dan nog wel spreken van wettig en overtuigend bewijs in het strafrecht? Hoe ga je daar als advocaat in de praktijk mee om?

In de praktijk zien wij deze riedel vaak in geval geen direct bewijs bestaat voor de tenlastegelegde feiten. Zo ook in het arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2018.  Het cassatiemiddel op dit punt wordt ongegrond verklaard. In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor oplichting omdat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest ‘die valse namen bezigde, dat hij ervan op de hoogte was dat zijn moeder nepzendingen verrichtte en dat zij de goederen niet konden of zouden leveren’. Op basis van de bewijsoverwegingen van het Hof heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad kan de feiten op zichzelf echter niet beoordelen. Het is van belang dat deze goed worden vastgesteld door de feitenrechter.

In dit soort gevallen komt het idee al snel op dat de rechter oordeelt op basis van een onderbuikgevoel. Het is vanzelfsprekend aan de advocaat om in een dergelijk geval te beoordelen of het oordeel van de rechter ‘dat het niet anders kan dan..’ begrijpelijk is gelet op de vastgestelde feiten. Als dat niet zo is kan daar in hoger beroep of in cassatie een punt van worden gemaakt. Maar de verdediging kan ook door zich actiever op te stellen in het proces en niet af te wachten tot de terechtzitting twee vliegen in één klap slaan. Door tijdig de rechter in kennis te stellen van het verweer van de verdediging kan worden bereikt dat de rechter ook de ontlastende bewijzen betrekt bij de voorbereiding van de zitting. Het onderbuikgevoel op basis van enkel de belastende informatie van het Openbaar Ministerie kan daarmee mogelijk worden weggenomen.

Hoewel het Openbaar Ministerie aan waarheidsvinding moet doen, getuigen onderzoeksrapporten daar in de regel niet van. De conclusie van het onderzoek naar de gerezen verdenking is eigenlijk altijd hetzelfde: ‘Hij heeft het gedaan’. Het is dus aan de verdediging om (meer) aandacht te besteden aan het feitenonderzoek en daar zelf ook werk van te maken. Als er feiten zijn die in het voordeel van de verdachte spreken, dan dienen die (tijdig) in de procedure te worden gebracht. Juist door tijdig de rechtbank te informeren over het standpunt van de verdediging kan worden bereikt dat de rechters een evenwichtiger beeld over de zaak kunnen vormen en de feiten vollediger kunnen vaststellen. Hiermee kan de verdediging de nodige winst bereiken. Het is dus van belang dat de verdediging tijdig onderkent en herkent waar een rechtbank mogelijk ontbrekende bewijsmiddelen zal invullen met de riedel ‘het kan niet anders dan..’. Door hierop te anticiperen en uit te leggen wat er wel is gebeurd, kun je voorkomen dat de feitenrechter in deze ‘valkuil’ stapt.

Mocht je vragen hebben over het voorgaande of van gedachten willen wisselen met ons, neem dan contact op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie