#258: De cautie bij controle

Iedereen weet dat een verdachte het recht heeft om te zwijgen. Om dit recht te waarborgen dienen opsporingsambtenaren voor de start van een verhoor de cautie te geven. In artikel 29, lid 2, Wetboek van Strafvordering (Sv) staat dat de verdachte voor het verhoor wordt medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Een dergelijke mededeling dient in het proces-verbaal van het verhoor te worden opgenomen. Indien in strijd met artikel 29, lid 2, Sv deze cautie niet wordt gegeven aan een verdachte dan levert dit een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. In de regel leidt een dergelijk verweer ertoe dat de verklaring niet wordt toegelaten als bewijsmiddel. Maar wat als de verdachte niet door een opsporingsambtenaar wordt verhoord maar door een controleambtenaar?

Deze situatie was aan de orde in het arrest van 20 februari 2018 van de Hoge Raad. De zaak ligt als volgt. Op 20 september 2011 wordt een verdachte ter controle aangehouden op Schiphol. Na herhaalde vragen over de hoeveelheid cash geld waarmee de verdachte reisde antwoordde hij dat hij met € 40.000 op zak reisde. Deze verklaring is gegeven nadat een agenda is aangetroffen met een grote hoeveelheid aan 500 euro biljetten. De douaneambtenaren hebben de verdachte vervolgens diverse vragen gesteld over de herkomst van het geld en zijn werkzaamheden. Mag deze verklaring voor het bewijs worden gebruikt?

Het Hof oordeelde dat de door de douaneambtenaren gestelde vragen waren gesteld in het kader van de controle op de geldende aangifteplicht. Deze handelingen en vragen van de douaneambtenaren vallen naar het oordeel van het Hof onder de controlebevoegdheid, die de douaneambtenaren op basis van de Douanewetgeving hebben. De Hoge Raad casseert dit oordeel van het Hof en overweegt dat het Hof kennelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de omstandigheid dat de verbalisanten aan de verdachte vragen hebben gesteld vanwege een douanecontrole, uitsluit dat van een verhoor als bedoeld in artikel 29, lid 2, Sv sprake kan zijn geweest. Dat oordeel is onjuist:

“Immers, ook bij het aanwenden van controlebevoegdheden door opsporingsambtenaren dienen tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht te worden genomen, waaronder die van art. 29 Sv.”

 Kortom op het moment dat iemand verdachte is dan dient een opsporingsambtenaar de cautie te geven. Ook als vragen worden gesteld in het kader van een controle. Dit geldt overigens ook als vragen worden gesteld door bestuursorganen. Voor zover vragen worden gesteld die zuiver gericht zijn op de schuldvraag dient bijvoorbeeld een controleambtenaar van de Belastingdienst ook een cautie te geven. Vragen die gericht zijn op de belastingheffing – en dus niet op een boete of een straf – dienen volgens de Hoge Raad in principe wel beantwoord te worden. De verklaring mag vervolgens niet worden gebruikt voor het opleggen van een boete of in een strafrechtelijk onderzoek. In Vaklunch #209 is dit verder toegelicht

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie