#255: Btw fraude?

Btw-fraude kent diverse vormen, maar in de kern komt het veelal op hetzelfde neer: ergens in de handelsketen wordt de aan de Belastingdienst verschuldigde btw niet betaald. Btw-ketenfraude is dus in feite een fraude waarbij ergens in de handelsketen sprake is van een frauduleuze ondernemer die wel btw factureert aan en incasseert van zijn afnemers, maar niet aan de Belastingdienst betaalt. Maar wie in de keten kan worden beticht van btw-fraude? Iedereen? Of alleen degene die wist dat hij betrokken is in een keten waarin ergens geen btw wordt afgedragen? Een recent arrest van de fiscale kamer van de Hoge Raad geeft handvatten voor de beoordeling van de vraag wanneer het nultarief mag worden geweigerd in geval van btw-fraude maar ook relevant kan zijn voor de strafpraktijk.

Btw is de afkorting van ‘Belasting Toegevoegde Waarde’. Het is een Europese algemene, indirecte bestedingsbelasting die de kostprijs van een goed of een dienst verhoogt. De bedoeling is om bestedingen van consumenten in de Europese Unie te belasten. Maar in feite drukt de btw op alle eindgebruikers van goederen of diensten. De btw wordt geheven van ondernemers die goederen leveren en diensten verrichten en niet van de consumenten zelf. Vandaar dat de btw een indirecte belasting wordt genoemd. De term algemeen slaat op het feit dat in beginsel op alle goederen en diensten btw wordt geheven.

In geval van een internationale handelsketen wordt gebruik gemaakt van het nultarief. In het geval van een grensoverschrijdende transactie wordt immers geen btw geheven (nultarief), maar het recht op aftrek van btw bestaat wel. In geval van grensoverschrijdende btw-fraude kan het toepassen van het nultarief door de fiscale autoriteiten worden geweigerd. Om een ondernemer het recht op toepassing van het nultarief te weigeren dient te worden bewezen dat hij wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld:

  1. hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam,
  2. in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en
  3. dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.

 

In de casus die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad waren telefoons geleverd door een Nederlandse vennootschap aan bedrijven in Luxemburg en Duitsland met toepassing van het nultarief. Het Hof had op grond van een FIOD proces-verbaal aangenomen dat in Luxemburg en Duitsland geen omzetbelasting werd afgedragen en dat belanghebbende wist van deze fraude. De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van het Hof onvoldoende is gemotiveerd omdat niet duidelijk is waarop het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat in Luxemburg en Duitsland opzettelijk geen aangifte omzetbelasting is gedaan of opzettelijk de verschuldigde btw niet hebben afgedragen. Het bewijs van opzet bij de ondernemers die de btw fraude hebben gepleegd is noodzakelijk alsook dat uit concrete feiten en omstandigheden blijkt dat de belanghebbende hiervan wist of in fiscalibus van had moeten weten.

Het bewijs van btw-fraude is dus niet zomaar geleverd. Van de Belastingdienst mag een goede onderbouwing worden verwacht voor het weigeren van het nultarief. En ook van het Openbaar Ministerie mag worden verwacht dat voldoende feiten en omstandigheden worden aangevoerd om het bewijs van wetenschap – en dus fraude – te leveren. Het gaat dan niet alleen om de vraag of men wist (of had moeten weten) dat fraude in de keten werd gepleegd maar ook dat daadwerkelijk opzettelijk fraude is gepleegd door de afnemers elders in de keten.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie