#254: Zoete broodjes bakken

Of sprake is van oplichting is niet in iedere zaak meteen duidelijk. De jurisprudentie over dit onderwerp is ook erg casuïstisch. En dat is niet verwonderlijk. De vraag of sprake is van oplichting is typisch zo’n vraag die ‘afhankelijk is van de omstandigheden van het geval’. Ook de rol van het slachtoffer speelt een rol. De vraag is of de ‘zoete broodjes’ die de oplichter met zijn leugens bakt dusdanig geloofwaardig waren dat het slachtoffer niet aan te rekenen is dat hij een goed heeft afgegeven. Het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2018 – waarin de verdachte onder meer wordt verweten de bakker te hebben bewogen tot afgifte van gebakjes en bonbons – is toepasselijk.

In Vaklunch #216 gingen wij in op het standaardarrest van 20 december 2016 van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad een spoorboekje gaf aan feitenrechters hoe om te gaan met het bewijs voor bijvoorbeeld ‘samenweefsel van verdichtsels’. Ook maakte de Hoge Raad duidelijk dat een causaal verband moet bestaan tussen de oplichtingsmiddelen – zoals leugens – en de afgifte van een goed. Wij constateerden ook dat het ten laste leggen van oplichting als delict aan populariteit lijkt te winnen bij het Openbaar Ministerie. Zeker in fraude zaken. In Vaklunch #241 besteedden wij aandacht aan het belang van de rol van het ‘slachtoffer’. Een slachtoffer mag op zijn beurt niet zomaar alles voor zoete koeken slikken. Als het slachtoffer ‘beter had moeten weten’ of als het slachtoffer te naïef is geweest, heeft dat invloed op de bewezenverklaring van oplichting.

In het arrest van 9 januari 2018 draait het om een verdachte die meer dan eens zich schuldig zou hebben gemaakt aan oplichting. Hij werd veroordeeld voor oplichting omdat hij een fietsenwinkel wist te bewegen tot afgifte van twee fietsen. De verdachte had bij de aflevering van de fietsen gemeld dat zijn bankpas kapot was en toegezegd het verschuldigde bedrag over te maken op de bankrekening van de fietsenhandelaar. Nadien volgden herhaaldelijk toezeggingen dat hij zou betalen. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte op meer dan een enkele leugenachtige mededeling de afgifte van de fietsen heeft veroorzaakt en dat daarmee sprake is van oplichting.

In cassatie is geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan voortvloeien dat sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid, dan wel van een samenweefsel van verdichtsels. Het ‘aannemen van de hoedanigheid van bonafide klant’ is volgens het cassatiemiddel niet voldoende. Uit de conclusie van advocaat-generaal Harteveld is af te leiden dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij de fietsen bewust niet heeft betaald. Of uit het bewijsmiddel blijkt dat de verdachte op het moment dat hij de fietsen afnam niet wilde betalen is niet duidelijk. De advocaat-generaal komt ook tot de conclusie dat het bij dit punt blijft. Iets extra’s – in die zin dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels – volgt niet waardoor de advocaat-generaal oordeelt dat het middel slaagt. De Hoge Raad is het daar niet mee eens. Er is op basis van meer dan een enkele leugenachtige mededeling gehandeld, zoals de mededeling dat zijn bankpas kapot was en toe te zeggen dat het verschuldigde bedrag op de bankrekening komt te staan. Wij kunnen dit oordeel niet volgen. Immers, uit het arrest blijkt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat deze mededelingen onjuist waren. Dat sprake is van meerdere verdichtsels kan dan niet worden bewezen.

De verdachte stond ook terecht voor een verdenking van het oplichten van de bakkersmedewerker. Ook tegenover de bakker zou hij zich als een bonafide klant hebben voorgedaan en op die manier 3 gebakjes en bonbons verkregen, de bestelling plaatste onder een valse naam en een vals adres. Ook deed hij de toezegging het bedrag in één keer te voldoen. Ook tegen deze bewezenverklaring is – in lijn met het vorige middel – geklaagd. In dit geval is echter duidelijk dat hij een valse naam en een vals adres opgaf. Ook het telefoonnummer was onjuist. Het oordeel van de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is kunnen wij dan ook volgen.

Deze zaak laat nog maar eens zien dat de beoordeling of sprake is van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van (meerdere) verdichtsels luistert een kritische lezing van de feiten vergt. Het is aan de verdediging om hier alert op te blijven.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie