#241: Opgelicht?!

Van strafbare oplichting is niet zomaar sprake. In vaklunch #216 bespraken wij het overzichtsarrest  van de Hoge Raad. Het arrest leidde tot kritische(re) oordelen van rechtbanken en hoven. Een enkele leugen of een enkele misleidende handeling om iemand te bewegen tot afgifte van een goed is niet voldoende om van oplichting te spreken. Er moet immers sprake zijn van een samenweefsel van verdichtsels. Ook blijkt uit het arrest dat de rol van de benadeelde meespeelt in het oordeel of sprake is van oplichting. Want wanneer wordt het slachtoffer ‘bewogen tot afgifte van een goed’ en wanneer had het slachtoffer ‘beter moeten weten’?

In het arrest van Hof Amsterdam van 26 april 2017  is ingegaan op de rol van het ‘slachtoffer’. Het Hof licht toe dat de delictsomschrijving van oplichting inhoudt dat iemand door een oplichtingsmiddel tot het afgeven van een goed moet zijn bewogen. In dat specifieke geval ging het om een verdenking van oplichting door – kort gezegd – overeenkomsten te sluiten teneinde te beleggen in gebruiksrechten van appartementen, terwijl die belegging niet tot het beloofde resultaat zou leiden. Zoals toelichting in vaklunch #216  merkt het Hof op dat het niet nakomen van een overeenkomst geen oplichting is; het betreft een civiele wanprestatie.

Het Hof is ook kritisch op de oplichtingsmiddelen. Er moet een causaal verband bestaan tussen de oplichtingshandelingen en het afgegeven van een goed. In dit geval heeft het Hof bijvoorbeeld geoordeeld dat een prospectus uit 2006 een belegger die eerder is ingestapt niet heeft bewogen tot afgifte van een goed in dat eerdere jaar. Dit verweer is ook gevoerd in de zaak die recent aan de orde was bij Rechtbank Noord-Holland.

In deze zaak draaide het om de verkoop van een zogenaamd ‘driefasen-systeem’ in de muziekindustrie. De verdenking luidt dat sprake is van oplichting omdat het driefasen-systeem niet werkt. De verdediging heeft aangevoerd dat van het ‘bewegen tot’ afgifte van een goed geen sprake is. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake is van een causaal verband tussen het oplichtingsmiddel – gebruik van een alias – en de betalingen voor het systeem. De verdediging voert onder meer aan dat de benadeelde waakzamer en omzichtiger had moeten zijn bij het doen van zaken, hij heeft geen enkel onderzoek gedaan naar de identiteit van de verdachte of bij de Kamer van Koophandel. De benadeelde – het slachtoffer – had aldus ‘beter moeten weten’ volgens de verdediging.

De Rechtbank gaat in dit geval echter niet mee in dit verweer. De Rechtbank licht toe dat de verdachte met zijn (oplichtings-) handelingen het vertrouwen van de benadeelde in hem liet groeien. Zo vertelde de verdachte dat hij een optreden van een bekende Nederlandse zangeres kon regelen, op basis waarvan de benadeelde een voorschot heeft betaald. Daarop zond hij een bevestiging van de ontvangst van het bedrag door aan de benadeelde. Achteraf bleek het een valse printscreen van de betaling. Ook maakte de verdachte gebruik van – achteraf – valse e-mails die afkomstig leken van verschillende managers van bekende Nederlandse zangers en zangeressen. De Rechtbank heeft overwogen dat de verdachte heeft gedreigd dat de benadeelde al het ingelegde geld kwijt zou zijn als hij bij derden navraag zou doen over de betalingen of als hij de volgende betaling niet zou verrichten. Volgens de Rechtbank staat daarmee vast dat de benadeelde onder invloed van de oplichtingsmiddelen, waardoor een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen, is bewogen tot de afgifte van grote geldbedragen.

Duidelijk is aldus dat de vraag of er een relatie bestaat tussen de oplichtingshandelingen en het bewegen tot afgifte van een goed bijzonder feitelijk van aard is. Het hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij speelt de vraag of het slachtoffer/de benadeelde onder de omstandigheden nader onderzoek had moeten doen of alerter had moeten zijn een grote rol. Hier liggen voor de verdediging – zeker in een tijd waarin de verdenking van oplichting aan populariteit wint bij het Openbaar Ministerie – kansen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

 

Geen reacties

Plaats een reactie