#215: De aanmerkelijke kans in fiscalibus

Het leerstuk van het pleitbare standpunt is al in menig Vaklunch aan de orde gekomen. Een steeds terugkerende zaak die ten grondslag ligt aan deze discussie gaat over een structuur waarbij winstvennootschappen zijn aangekocht en leningen zijn aangegaan met als doel de rente op die leningen af te trekken van de winst zodat daarover geen vennootschapsbelasting wordt geheven. Hoewel deze zaak veel interessante onderwerpen belicht beperken wij ons tot de discussie over het pleitbare standpunt. In Vaklunch #50 bespraken wij de rechtbank uitspraak die een boete oplegde voor voornoemde structuur. Het Hof vernietigde de boete daarentegen omdat sprake was van een objectief pleitbaar standpunt. Hiervoor verwijzen wij graag naar Vaklunch #137. Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld. Advocaat-Generaal Wattel schreef een zeer lezenswaardige conclusie ten behoeve van dit cassatieberoep. De Hoge Raad geeft nu het verlossende woord over het pleitbare standpunt.

Een pleitbaar standpunt is een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op die feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Dat wil zeggen dat voor het ingenomen standpunt – ook al wordt dit uiteindelijk door de rechter onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting wordt geheven. De huidige discussie over het pleitbare standpunt is of de belastingplichtige zich ook bewust moet zijn van de pleitbaarheid van het standpunt ten tijde van het indienen van de aangifte (een subjectief pleitbaar standpunt) of dat de verdedigbaarheid van het standpunt ook achteraf kan worden bepleit, dus nádat een discussie over de aangifte is ontstaan (een objectief pleitbaar standpunt). Kortom, is een pleitbaar standpunt succesvol indien het objectief of subjectief is?

Voorstanders van het subjectieve pleitbare standpunt menen dat een belastingplichtige die zich niet verdiept heeft in de materie of zelfs dacht dat hij een onjuiste aangifte indiende niet beschermd zou mogen worden door het leerstuk van het pleitbare standpunt. Daar staat tegenover dat de fiscale wetgeving zo ingewikkeld is dat als de wet voor meerdere interpretaties vatbaar is, een verdedigbaar standpunt niet strafbaar is omdat geen sprake kan zijn van voorwaardelijke opzet.

De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige arrest dat als de betrokkene ten tijde van het doen van een aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was, niet kan worden gezegd dat hij opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft ingediend. Voor voorwaardelijke opzet is op zijn minst nodig dat iemand bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ten onrechte geen, een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Echter in geval er sprake is van een pleitbaar standpunt dan is de kans niet aanmerkelijk dat de aangifte onjuist zou zijn.

Dit is ons inziens een juist standpunt dat wij reeds bepleitten in Vaklunch #009. Zoals daarin is toegelicht kan daarbij ook aansluiting worden gezocht bij de zogenaamde HIV-arresten van de strafkamer van de Hoge Raad. Immers in geval van een pleitbaar standpunt lopen de meningen over een bepaalde wetsinterpretatie uiteen. Indien twee verschillende wetsinterpretaties bestaan, dan is de kans op een onjuiste aangifte ‘fifty/fifty’ geworden. Daarmee is de kans op een onjuiste aangifte ons inziens – het is immers niet groter dan 50% – niet aanmerkelijk.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie