#208: Wie zich brandt…

… moet op de blaren zitten. Dat zal in veel gevallen de gedachte zijn van het Openbaar Ministerie als het aankomt op het aanpakken van een verdachte. Ook de wijze waarop het Openbaar Ministerie tegenwoordig focust op het ‘afpakken’ van het criminele vermogen past bij die gedachte. Daarover was de Rotterdamse Hoofdofficier Van Nimwegen onlangs in het AD in een artikel met de kop ‘We pakken crimineel pakken alles af’ nog glashelder. Dat het Openbaar Ministerie soms te ver gaat bleek wel uit een recente uitspraak van Rechtbank Amsterdam waarover we in Vaklunch #202 al schreven. Het Openbaar Ministerie kan zich niet alles kan permitteren, zo bleek ook uit de uitspraak van 23 februari 2017 van Rechtbank Noord-Nederland.

In deze zaak is een strafbeschikking in de zin van artikel 257a Sv aan de verdachte uitgevaardigd. Het derde lid van het artikel bepaalt dat aan die strafbeschikking voorwaarden kunnen worden gesteld. Eén van die voorwaarden is: ‘voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel’. Een dergelijke voorwaarde is in dit geval niet in de strafbeschikking opgenomen. Kort daarna is een ontnemingsvordering ingediend waarover de Rechtbank nu moet beslissen. De vraag is of dit kan.

De Rechtbank heeft de inhoud van artikel 36e Sr in de beslissing betrokken. In het eerste lid staat namelijk dat ‘degene die is veroordeeld’ de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd. Hoewel de strafbeschikking – anders dan de transactie – niet wordt uitgevaardigd ter voorkoming van vervolging, maar een afdoeningsvorm op zich vormt waarmee het Openbaar Ministerie zonder tussenkomst van de rechter de verdachte kan straffen, overweegt de Rechtbank dat men niet bij strafbeschikking wordt veroordeeld. Dat uit artikel 78b Sr volgt dat onder de veroordeling ook een strafbeschikking wordt verstaan doet daaraan evenmin af. Deze gelijkstelling is volgens de Rechtbank niet hetzelfde als ‘veroordeeld zijn’.

Ook de wetsgeschiedenis geeft de Rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De Rechtbank oordeelt dat het gelet hierop niet voor de hand [ligt] dat de wetgever heeft beoogd het mogelijk te maken een strafzaak en ontnemingszaak bij voorbaat via twee routes (strafbeschikking en rechterlijke beslissing) te laten lopen’. Het wettelijk systeem maakt het juist mogelijk om voordeelsontneming te betrekking bij de invulling van de strafbeschikking. Die mogelijkheid is onbenut gelaten door het Openbaar Ministerie. Zouden wel voorwaarden zijn gesteld maar deze door de verdachte niet zijn nagekomen, dan kan alsnog worden gedagvaard. Ook ontstaat dan ruimte voor een ontnemingsvordering.

Ons inziens een volledig juiste beslissing. De inhoud van de strafbeschikking dient direct volledige duidelijkheid te geven: indien geen voorwaarden omtrent ontneming zijn gesteld kan nadien geen ontnemingsvordering uit de hoge hoed worden getoverd. Overigens ligt het in de lijn der verwachting dat het Openbaar Ministerie zich hierin kan vinden en geen hoger beroep zal aantekenen. In het vonnis is namelijk subtiel opgemerkt dat het Openbaar Ministerie ‘- in tweede instantie -’ heeft gepleit tot niet-ontvankelijkheid.

Heb je vragen over dit onderwerp of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie