#182: Het OM dient de wet te kennen

Het Wetboek van Strafvordering kent strenge procedureregels ten aanzien van het verloop van een strafzaak. Procespartijen – waaronder burgers – moeten kunnen vertrouwen op een behandeling volgens de wet. Het past niet om daarvan af te wijken. Toch komt het in de praktijk weleens voor dat in strijd wordt gehandeld met de formeel wettelijke eisen, al dan niet bewust. Bijvoorbeeld als het gaat om het instellen of intrekken van rechtsmiddelen. Uit de jurisprudentie omtrent het instellen van een rechtsmiddel door de griffier van de strafgriffie op basis van een volmacht blijkt bijvoorbeeld dat de Hoge Raad streng erop toeziet of de volmacht aan alle eisen voldoet. Toch gaat het in de praktijk weleens mis als het aankomt op het instellen van rechtsmiddelen. Ook bij het Openbaar Ministerie, zo blijkt uit een recent arrest van Gerechtshof Amsterdam.

Aan het arrest van Gerechtshof Amsterdam ging het vonnis van Rechtbank Amsterdam van 10 september 2015 vooraf (niet gepubliceerd). Het ging om twee gevoegde zaken van een verdachte. In de zaak A is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van mishandeling. Voor het overige is hij vrijgesproken. In zaak B is de verdachte integraal vrijgesproken van het ten laste gelegde feit witwassen. Het Openbaar Ministerie was het echter niet eens met de rechtbank.

Vijf dagen nadat het vonnis was gewezen – op 15 september 2015 – heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis in de zaak met het parketnummer van zaak B. Op het afschrift van de appelakte is een – volgens het hof kennelijk mee gekopieerde – post-it geplakt waarop is geschreven dat het om een gevoegde zaak gaat en dat de Officier van Justitie daarover zou zijn gebeld. Een dag later – op 16 september 2015 – is het ingestelde hoger beroep ingetrokken. Op diezelfde dag is later, zo blijkt op de opvolgende appelnummers, alsnog hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis in zaak A en in zaak B. Tegen het vonnis in zaak B is aldus opnieuw hoger beroep ingesteld. Op 22 september 2015 volgt een appelschriftuur van het Openbaar Ministerie waaruit blijkt dat het appel zich richt op de vrijspraak in zaak B. Voor zaak A is geen appelmemorie ingediend.

De advocaat-generaal is daar in hoger beroep zelf kort over: het Openbaar Ministerie moet voor zaak A niet-ontvankelijk verklaard worden omdat er geen appelmemorie is ingediend. Het hof beslist conform dit standpunt. Voor zaak B meent de advocaat-generaal dat de akte intrekking rechtsmiddel van 16 september 2015 moet worden gezien als een ‘administratieve herstel akte’. De reden daarvan is dat de griffie aan de officier van justitie zou hebben medegedeeld dat tegen het vonnis in zaak A ook appel moest worden ingesteld om het hoger beroep in zaak B te kunnen verwerken. Daarnaast wijst de advocaat-generaal dat geen sprake is van een ‘wilsbesluit’ van de officier van justitie om het appel in te trekken in de zin van artikel 453 (1) Sv.

Het hof ziet het anders. De officier van justitie heeft de akte intrekking rechtsmiddel van 16 september 2015 ondertekend. Nergens is uit gebleken dat de officier van justitie dat op instructie van de griffie heeft gedaan, dan wel dat sprake is van een administratieve herstelakte. Het hof merkt op dat het ‘in dit verband nog buiten beschouwing [laat] de vraag of de officier van justitie, als professionele procespartij, wel af mag gaan op mededelingen van de griffie van de rechtbank als die tegen de wetsbepaling ingaan dat een ingetrokken rechtsmiddel wordt beschouwd als het doen van afstand van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel opnieuw in te stellen.’ Ook van enige andere bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden is geen sprake, aldus het hof. Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep in zaak B. Ons inziens is dat terecht. Met de intrekking van het appel heeft het Openbaar Ministerie zijn rechtsmiddel prijsgegeven. De Hoge Raad is hier duidelijk over: intrekking van een rechtsmiddel kan niet ongedaan worden gemaakt. Het brengt afstand mee van het recht om het gewone rechtsmiddel opnieuw aan te wenden.

Als gezegd is het Wetboek van Strafvordering duidelijk als het gaat om het instellen van rechtsmiddelen. Rechters zien streng toe op de toepassing daarvan en laten geen ruimte voor het maken van fouten. Het hof maakt van deze gelegenheid gebruik om nog eens te benadrukken dat professionele partijen de wet dienen te kennen. Zelfs al zou de griffie de procespartij verzoeken om contra legem te handelen, dan nog is het de vraag of de procespartij op dat verzoek af mag gaan gelet op de eigen kennis van het recht. Hoewel het hof in dit arrest deze vraag niet expliciet beantwoord, impliceert het hof dat het antwoord op deze vraag negatief is.

Vind jij het goed dat de rechtspraak zo streng toeziet op dergelijke procedurele regels?

Geen reacties

Plaats een reactie