#175: Uit de oude doos

Rechtspraak.nl heeft de zomerperiode aangegrepen om een aantal oude arresten uit 1997 en 1999 te publiceren. Deze arresten zijn voor ons interessant genoeg om nog eens kritisch te bekijken en er in de praktijk ons voordeel mee te doen. Want kan gebruik maken van het zwijgrecht tegen de verdachte worden gebruikt? En hoe zit het ook alweer met het gebruik van anonieme getuigenverklaringen?

Het zwijgrecht is het meest fundamentele recht van een verdachte. Onder het adagium ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’ adviseren advocaten hun cliënten veelal om – in eerste instantie – een beroep te doen op het zwijgrecht. Eerst maar eens afwachten wat er in het dossier zit, is vaak de gedachte. De vraag is echter of dit credo onder alle omstandigheden standhoudt. Op 3 juni 1997 heeft de Hoge Raad aandacht besteed aan het zwijgrecht. Het hof had in deze zaak in een bewijsoverweging meegenomen dat de verdachte geen redelijke verklaring had gegeven voor een belastende omstandigheid. Het middel klaagde erover dat deze bewijsoverweging een ontoelaatbare inbreuk maakte op het nemo tenetur beginsel.

De Hoge Raad benadrukt in het arrest dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv. Echter, indien een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het tenlastegelegde, dan mag een rechter als de verdachte voor dat feit geen redelijke verklaring heeft gegeven dit in de bewijsoverweging betrekken. De rechter is dan ook niet gehouden om de verdachte te waarschuwen over de mogelijke consequenties van het uitblijven van een verklaring. Voor een voorbeeld waarin de Hoge Raad de zaak van hof wel casseert op basis van dezelfde rechtsregel verwijzen wij graag naar artikel #084.

Het andere arrest dat recent is gepubliceerd dateert van 11 mei 1999 en gaat over het gebruik van een anonieme getuigenverklaring. Ook over dit onderwerp besteedden wij reeds aandacht in artikel #153.

Artikel 344, derde lid, Sv (het huidige artikel 344a, derde lid, Sv.) bepaalt dat voor het bewijs van het tenlastegelegde feit geen gebruik mag worden gemaakt van een schriftelijk stuk houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet bekend is, tenzij de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. De verdachte moet dan overigens niet op enig moment te kennen hebben gegeven dat hij deze niet-geïdentificeerde getuige wil horen. In voornoemd arrest kwam deze bepaling aan de orde. De verdediging deed een beroep op dit artikel en meende dat een schriftelijk stuk houdende een anonieme verklaring niet voor het bewijs mocht worden gebruikt. De Hoge Raad gaat hier echter met een enkel woord aan voorbij en oordeelt dat dit verbod niet geldt als de wens om de betreffende getuige te horen later in de procedure is ingetrokken.

Als de betreffende anonieme verklaring dan toch voor het bewijs wordt gebruikt, dan geldt wel de motiveringsverplichting van artikel 360, eerste lid, Sv. In dit artikel is bepaald dat het vonnis blijk dient te geven van de reden waarom het wel gebruikt is. In de jurisprudentie is bepaald dat de rechter zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring dient te onderzoeken. Het arrest verwijst hiervoor naar een arrest uit 1997 (HR 20 mei 1997, NJ 1998, 22), eveneens uit de oude doos dus maar (nog) niet gepubliceerd.

Deze arresten zijn in lijn met nog altijd bestendige jurisprudentie. Waarom deze klassiekers nu gepubliceerd zijn, is ons niet bekend. Wellicht om de praktijk – de advocatuur, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht – een handreiking te doen voor de praktijk? Wij nemen deze opfriscursus in ieder geval ter harte.

Stonden deze arresten jou nog helder op het netvlies?

Geen reacties

Plaats een reactie