#170: Oude wijn in nieuwe zakken?

Zo nu en dan grijpt de Hoge Raad een zaak aan om een overzichtsarrest te wijzen of de rechtsregels duidelijker uiteen te zetten. Een overzichtsarrest wordt veelal gewezen indien een leerstuk dusdanig onduidelijk is dat het nodig is om rechtseenheid te bewaren. De laatste tijd zijn deelnemingsvormen aan de beurt. Het arrest van 2 december 2014 waarin het verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid nog eens heel duidelijk wordt gemaakt is daarvan een voorbeeld. Op 26 april 2016 heeft de Hoge Raad de deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven in de zin van artikel 51, lid 2, sub 2, Wetboek van Strafrecht (Sr) onderhanden genomen. De zogenoemde Slavenburgcriteria uit 1985 en 1986 hebben lange tijd de dienst uitgemaakt. Worden de Slavenburgcriteria met het arrest van 26 april 2016 uitgebreid of enkel verduidelijkt?

Blijkens de Slavenburgcriteria kan sprake zijn van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging indien de verdachte van het strafbare feit op de hoogte was. Daarnaast kan van feitelijk leidinggeven sprake zijn indien een ‘functionaris — hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden — maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de zojuist bedoelde functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.’

In het arrest van 26 april 2016 – 30 jaar na dato – gaat de Hoge Raad in r.o. 3.5.1 tot en met 3.5.3. wederom in op de reikwijdte van het begrip feitelijk leidinggeven. De Hoge Raad licht toe dat de positie van een betrokkene binnen het bedrijf een indicatie kan zijn dat hij feitelijk leidinggever is. De positie op zich is echter geen doorslaggevend gegeven. Daarnaast is het geen vereiste dat de betrokkene in dienst is bij de rechtspersoon. Het is ook mogelijk dat een derde – bijvoorbeeld een adviseur – feitelijk de leiding heeft gegeven aan een bepaalde gedraging. De Hoge Raad overweegt verder dat zowel een actieve als een passieve rol van de betrokkene strafrechtelijke aansprakelijkstelling kan opleveren. Niet is vereist dat de feitelijk leidinggever zélf de strafbare handeling verricht. Enerzijds kan het actief gevoerde en bevorderde beleid van de betrokkene tot een strafbaar feit leiden. Anderzijds geldt dat ook voor het achterwege laten om maatregelen te nemen om een strafbaar feit te voorkomen terwijl de verdachte daartoe wel redelijk gehouden is.

De Hoge Raad gaat ook in op het zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging van de feitelijk leidinggever. De Hoge Raad besteedt in het arrest in dat kader met name aandacht aan de voorwaardelijke opzet variant en wijst daarbij op de situatie dat “hetgeen de leidinggever bekend was omtrent de strafbare feiten verband houdt met de in de tenlastelegging genoemde verboden gedraging”. Ook indien de werkzaamheden van een onderneming zo zijn georganiseerd dat hij er rekening mee houdt dat de werknemers opdrachten niet kunnen uitvoeren zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.

Kritische lezing van r.o. 3.5.1. tot en met 3.5.3. en de gehanteerde verwijzingen leert dat alle overwegingen rechtstreeks stamt uit jurisprudentie uit de jaren ’80. Naast de verwijzingen naar de Slavenburg arresten verwijst de Hoge Raad expliciet naar een aantal andere arresten zoals onder meer het arrest van 22 maart 1983 als het aankomt op feitelijk leidinggeven aan strafbare gedragingen naar aanleiding van gevoerd beleid en strafbare feiten die onvermijdelijk zijn door de inrichting van de organisatie van een bedrijf. Het kan voorkomen dat de wil om maatregelen te nemen tegen het begaan van een strafbaar feit bij de verdachte wel bestaat, maar dat het onmogelijk blijkt om reeds ingezet beleid te ‘herroepen’. Deze situatie zou ons inziens wel effect moeten hebben op de vraag in hoeverre sprake is van verwijtbaarheid.

Ons inziens is geen sprake van een aanvulling op het leerstuk van feitelijk leidinggeven. De Hoge Raad blaast oude rechtspraak nieuw leven in met dit arrest en zet alles nog eens duidelijk uiteen. Een aantal andere reeds bestaande arresten dan de ‘gebruikelijke’ Slavenburg arresten worden in het vizier van het juridische speelveld geplaatst. Duidelijk wordt dat het motiveren van de vraag waarom sprake is van feitelijk leidinggeven een zeer feitelijke vraag is wat het nodige vraagt van de procespartijen.

Zie jij in het arrest nieuwe aanknopingspunten voor het leerstuk van feitelijk leidinggeven?

Geen reacties

Plaats een reactie