#164: Recht op antwoord?

In de Nederlandse strafpraktijk krijgt de verdediging pas in een zeer laat stadium de gelegenheid om onderzoek te doen. Angstvallig wordt de verdediging weg gehouden bij de getuigenverhoren in de onderzoeksfase. De gevolgen daarvan zijn immens. De verdediging kan op deze manier geen controle uitoefenen op de verhoren, de vraagstelling of zelf aanvullende vragen stellen. En dit is nodig want het geheugen dwaalt. Zodra je een herinnering vertelt, ben je de oorspronkelijke herinnering kwijt en komt hetgeen je hebt verteld in de plaats voor je oorspronkelijke herinnering. Je kan het vergelijken met een foto. De kleuren en de sfeer op de foto verdringen de herinnering, soms in het positieve en soms in het negatieve. De factor tijd heeft bovendien een grote invloed op het geheugen. Het is dus van belang dat de verdediging in zo een vroeg mogelijk stadium wordt betrokken bij getuigenverhoren. In een recent arrest van de Hoge Raad vraagt de verdediging de aandacht voor het feit dat het onmogelijk is om de verdedigingsrechten uit te oefenen als de getuigen door tijdsverloop simpelweg geen herinnering meer hebben aan hetgeen zou zijn voorgevallen.

De zaak lag als volgt. De verdachte werd verdacht van diefstal bij een tweetal tankstations en in een winkel. De tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden in 2009 en 2010. De bewezenverklaring van een van de feiten is mede geënt op camerabeelden op basis waarvan het Hof vaststelt dat verdachte deel uitmaakte van de groep personen die in de tankstations goederen heeft gestolen. Volgens de aangevers hebben alle leden van de groep goederen gestolen. Op grond hiervan veroordeelt het Hof de verdachte voor medeplegen van diefstal. De verdediging heeft echter een aantal getuigen opgeroepen om de precieze rol van de verdachte vast te stellen. Er zijn immers in de onderzoeksfase geen vragen aan de betreffende getuigen gesteld over de precieze rolverdeling tussen de verschillende aanwezigen. Vier jaar na dato worden deze getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris. De betreffende getuigen kunnen zich echter weinig tot niets meer herinneren van de betreffende diefstallen. De raadsman stelt zich derhalve op het standpunt dat de getuigen feitelijk geen herinnering meer hebben aan het tenlastegelegde en dat de verdediging daardoor niet meer in staat is geweest om het ondervragingsrecht effectief uit te oefenen. De verklaringen van voornoemde getuigen moeten daarom buiten beschouwing blijven.

Het Hof heeft daarop gerespondeerd door te oordelen dat de omstandigheid dat de herinneringen van de bij de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen aan het voorval zijn vervaagd aan de door het Hof vastgestelde feiten niet afdoet. Tegen dit oordeel keert het middel zich. Uit de conclusie van de advocaat-generaal maken wij op dat het middel op het volgende neer komt:

“De redenering is, dat uit de jurisprudentie van het EHRM moet worden afgeleid dat uit art. 6 lid 1 en lid 3 EVRM het recht voortvloeit dat “de verdediging elke vraag moet kunnen (doen) stellen, terwijl die vragen ook beantwoord moeten worden”. In het vervolg daarop wordt gesteld dat nu niet elke vraag van de verdediging is beantwoord, het hof had moeten toetsen of de beperkingen van het ondervragingsrecht voldoende zijn gecompenseerd.”

De Hoge Raad oordeelt dat de opvatting onjuist is dat enkel sprake is van “an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness” indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen zijn beantwoord door de getuige.

In de conclusie wordt hier nader op ingegaan. De advocaat-generaal erkent dat het op zichzelf zo is dat het voor het effectief uitoefenen van het ondervragingsrecht natuurlijk van belang is dat de vragen van de verdediging ook worden beantwoord. Hierover is ook de nodige Straatsburgse jurisprudentie. Zo is in de zaak Vidgen van het EHRM overwogen dat als de getuige geen enkele vraag wenst te beantwoorden, het ondervragingsrecht illusoir wordt. Ook haalt de conclusie het post-Vidgen arrest aan waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in een geval waarin de getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de aan hem gestelde vragen, de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te ondervragen. Een weigering om een vraag te beantwoorden is natuurlijk wel een wezenlijk andere situatie dan dat de getuige geen herinnering meer heeft aan hetgeen hem wordt gevraagd.

Wij vragen ons dus af of art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM de verdediging een recht geeft op een antwoord op het moment dat de getuige geen herinnering meer heeft aan het gevraagde. Wel menen wij dat het tijdsverloop in een procedure een factor kan spelen bij de beoordeling van de vraag of de verdediging een effectief recht heeft gehad op het ondervragingsrecht, te meer als de betreffende getuige zich de feiten niet meer weet te herinneren. Wellicht dat een andere insteek dus meer succes bij de Hoge Raad oplevert. Niettemin geeft deze zaak goed de onmogelijkheden weer waar de verdediging mee heeft te kampen waaronder niet alleen het recht op een effectieve verdediging heef te lijden, maar ook de waarheidsvinding.

Vind jij dat de verdediging een effectief ondervragingsrecht wordt geboden als het pas zoveel jaar na dato de gelegenheid krijgt om de getuigen te ondervragen? Denk jij dat dit (gedeeltelijk) kan worden ondervangen door de verdediging een toeziend oog te laten houden op de getuigenverhoren?

Geen reacties

Plaats een reactie