#154: Beeld en geluid kloppen niet

Het wetboek van strafvordering kent de nodige strikte termijnen om rechtsmiddelen in te stellen. Indien die termijnen ongebruikt verstrijken is er geen mogelijkheid meer een rechtsmiddel aan te wenden. Dat geldt voor zowel de verdachte als voor het Openbaar Ministerie. Het zorgt voor rechtszekerheid en duidelijkheid. Maar na het veiligstellen van de termijn kan het Openbaar Ministerie niet zonder gevolgen stil blijven zitten.

Binnen twee weken na het vonnis van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld. Indien het Openbaar Ministerie hoger beroep instelt, moet binnen veertien dagen daarna de gronden van het hoger beroep – de grieven tegen het vonnis van de rechtbank – kenbaar worden gemaakt in de zogenaamde appelschriftuur (ex artikel 410, lid 2, Sv). Deze schriftuur maakt duidelijk waar de ‘juridische strijd’ in hoger beroep op zal zien. Uit artikel 416, lid 1, Sv volgt dat indien het Openbaar Ministerie geen appelschriftuur heeft ingediend, de advocaat-generaal in hoger beroep de gelegenheid krijgt om de redenen waarom geen schriftuur is ingediend toe te lichten. De advocaat-generaal mag dan alsnog de bezwaren tegen het vonnis mondeling toelichten. Het derde lid van dat artikel bepaalt echter dat indien geen schriftuur is ingediend door het Openbaar Ministerie, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Maar in welke gevallen gebeurt dat?

In de praktijk blijkt dat het Openbaar Ministerie niet altijd even nauw omspringt met het tijdig indienen van de grieven tegen het vonnis. Veelal worden de grieven later dan binnen de termijn van veertien dagen ingediend. Is het werkdruk die daaraan ten grondslag ligt? Of is de zaak na het instellen van hoger beroep gewoon even minder belangrijk dan andere zaken?

Het Openbaar Ministerie wijdt het te laat indienen van de appelschriftuur in de praktijk regelmatig aan de hoge werkdruk. Maar is dat een reden om de spelregels niet na te leven? En is het een voldoende reden om een verdachte in onzekerheid te laten verkeren over de redenen van het ingestelde hoger beroep? Wellicht is het juist een signaal aan het Openbaar Ministerie dat de organisatie moet verbeteren; dan wel dat het minder hooi op de vervolgingsvork moet nemen. In een recente zaak bij het Hof Den Bosch had het Openbaar Ministerie de appelschriftuur ruim vijf maanden te laat ingediend. Het Openbaar Ministerie lichtte toe dat de vertraging te wijten was aan de werkdruk. Hof Den Bosch vond dat onacceptabel en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de concrete ernst van het ten laste gelegde en de impact dat het feit heeft gehad op het slachtoffer en de gevolgen van de termijnoverschrijding van het indienen van de appelschriftuur voor de verdachte. De verdachte heeft meer dan zes maanden in voorarrest gezeten en – nadat hij was vrijgesproken – heeft hij lang in onzekerheid verkeerd vanwege de late indiening van de appelschriftuur waarin de redenen van het hoger beroep zijn neergelegd.

Het hof overweegt: ‘Het kan niet anders zijn dan dat de procedure in hoger beroep daardoor vertraging heeft opgelopen, terwijl de verdachte juist belang had bij een voorspoedige voortgang van de behandeling van de zaak in hoger beroep.’ Duidelijk is dat het hof waakt over (onnodige overschrijding van) de redelijke termijn waarin zaken dienen te worden behandeld als vervat in artikel 6 EVRM. En waar een schending van de redelijke termijn in het opsporingsonderzoek niet meer tot niet-ontvankelijkheid kan leiden – blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad – beschermt de wet een verdachte wel in hoger beroep in het geval dat het Openbaar Ministerie geen grieven indient nadat het hoger beroep heeft ingesteld.

De aanhoudende hoge werkdruk is naar het oordeel van het hof een onvoldoende rechtvaardiging. Ook de omvang van de appelschriftuur – drie pagina’s – is geen rechtvaardiging voor de aanzienlijke termijnoverschrijding. Ook merkt het hof op dat als de officier van justitie zich daadwerkelijk zo boos maakte over het vonnis, zoals uit de appelschriftuur zou blijken, dat verwacht had mogen worden dat tijdig een appelschriftuur zou worden ingediend. Het hof meent dat het belang van het ingestelde beroep – mede gelet op de positie van het slachtoffer – niet prevaleert boven het belang van het ‘bestraffen’ van het verzuim.

Ons inziens is dat terecht.

Beeld en geluid over de ernst van bepaalde zaken komen bij het Openbaar Ministerie in de praktijk vaker niet overeen. Veel zaken zijn in de ogen van het Openbaar Ministerie bijzonder ernstig maar ondertussen laat het Openbaar Ministerie de daadwerkelijke berechting lang ‘op de plank’ liggen. Overigens is het Openbaar Ministerie op dit punt door rechtbanken en hoven al eerder op de vingers getikt en niet-ontvankelijk verklaard in verband met de late indiening van de appelschriftuur in verband met hoge werkdruk.

Hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het Openbaar Ministerie in april 2014 in een dergelijke kwestie al eens niet-ontvankelijk in verband met het twee maanden te laat indienen van de appelschriftuur. Net als Hof Amsterdam die in diezelfde maand een niet-ontvankelijkheid uitsprak in een zaak waarin de appelschriftuur een maand te laat was ingediend. In beide gevallen werd de termijnoverschrijding geweten aan werkdruk. Ons inziens is het geloofwaardiger als het Openbaar Ministerie in dergelijke gevallen hand in eigen boezem steekt en het hoger beroep – als de bezwaren tegen het vonnis kennelijk toch niet zo belangrijk zijn – intrekt zodat de betrokkene in ieder geval niet onnodig lang in onzekerheid verkeert.

Wat is jouwervaring met dit soort situaties? Komt het Openbaar Ministerie wel eens weg met de te late indiening van de appelschriftuur en wat is dan de aangevoerde reden?

Geen reacties

Plaats een reactie