#149: Een koelbloedige Hoge Raad

De gelijkwaardigheid in het strafprocesrecht lijkt soms ver te zoeken. In een strafrechtelijk onderzoek hoeft het Openbaar Ministerie zich nauwelijks aan termijnen te houden. In beginsel moet het Openbaar Ministerie zorgdragen voor behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, maar een schending hiervan heeft verder nauwelijks gevolgen. Een verdachte echter is veelal gehouden maar gewoon af te wachten wanneer zijn zaak behandeld wordt. De paar rechtsmiddelen die een verdachte heeft zijn echter wel aan korte wettelijke termijnen gebonden en die worden strikt gehandhaafd. Zo strikt zelfs, blijkens een recent arrest van de Hoge Raad, dat het haast wat koelbloedig aanvoelt.

De casus is als volgt.

In eerste aanleg wordt een verdachte veroordeeld tot 8 maanden celstraf. De verdachte wenst hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak en machtigt hiervoor zijn raadsman. De raadsman bevestigt aan de verdachte dat hoger beroep is ingesteld en er vindt een bespreking plaats op het kantoor van de raadsman om het hoger beroep voor te bereiden.

So far so good.

Niettemin wordt de verdachte na enige tijd aangehouden en in detentie geplaatst. Pas toen bleek dat de raadsman helemaal geen hoger beroep had ingesteld. Vervolgens is na enige tijd alsnog hoger beroep ingesteld namens de verdachte door een andere advocaat. Het hof verklaart de verdachte vervolgens niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep omdat de termijn was verstreken.

Het hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte met betrekking tot het instellen van het hoger beroep zelf op enigerlei wijze is tekortgeschoten. De prangende reden waarom het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard is de volgende:

“De omstandigheid dat door verdachtes raadsman abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld levert niet een zodanige bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid op dat deze de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.”

De advocaat-generaal concludeert dat dit oordeel van het hof in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Mr. Vellinga wijst daartoe onder meer op het arrest van het EHRM van 10 oktober 2002, Appl. no. 38830/97 (Czekalla v. Portugal). In deze zaak had de raadsvrouw van een verdachte een cassatieschriftuur ingediend die niet voldeed aan alle door de wet gestelde eisen. Nadat het EHRM voorop stelt dat een Staat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor iedere onvolledigheid of fout in de verdediging van een verdachte, oordeelt het EHRM dat de verdachte voor wat betreft de procedure in hoger beroep “did not enjoy, as article 6 § 3 (c) required, a practical and effective defence”. Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat de fout puur van formele aard was, de verdachte een lange gevangenisstraf boven het hoofd hing en de verdachte de taal niet sprak.

Het andere arrest van het EHRM waar naar wordt verwezen is van 22 november 2011, Appl. no. 48132/07 (Andreyev v. Estonia). In dit arrest neemt het EHRM geen schending van artikel 6, lid 3, EVRM aan, maar een schending van het eerste lid van artikel 6. Het hof overweegt:

“77. The Court consequently considers that although the applicant was given State legal aid for filing an appeal with the Supreme Court, and despite the fact that he did everything that could have been expected for his part, the failure of his legal-aid lawyer to duly perform his duties and the lack of any subsequent measures to adequately remedy the situation deprived the applicant of his right of access to the Supreme Court.”

De advocaat-generaal concludeert aldus tot een schending van artikel 6 EVRM in de onderhavige zaak, mede gelet op het feit dat in het Nederlandse strafprocesrecht geen uitdrukkelijke voorziening bestaat om de gevolgen van het te laat instellen van een rechtsmiddel door een advocaat te herstellen zoals dat bijvoorbeeld in Duitsland het geval is.

De Hoge Raad oordeelt in deze nationale zaak echter dat het oordeel van het hof niet uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de wet in artikel 449 Sv aan de verdachte de bevoegdheid verschaft zelf hoger beroep of cassatie in te stellen, terwijl artikel 450 Sv hem daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigde raadsman of vertegenwoordiger. Oftewel: het is je eigen keuze om een advocaat in te schakelen. Op die gronden maakt de Hoge Raad ook korte metten met de arresten van het EHRM. De zaak van Czekalla tegen Portugal gaat volgens de Hoge Raad over een andere situatie, namelijk het niet geven van de gelegenheid om een vormverzuim in de cassatieschriftuur te herstellen. In de zaak Adreyey tegen Estland had de verdachte zelf niet de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

Wij menen dat de Hoge Raad wel erg gemakkelijk voorbij gaat aan de jurisprudentie van het EHRM. Mede gelet op het feit dat de verdachte een hoge gevangenisstraf boven zijn hoofd hangt, maar ook dat het gaat om een verzuim van puur formele aard en de verdachte op deze manier door een fout van zijn raadsman het met zijn vrijheid moet bekopen. Het arrest levert aldus een nare nasmaak op.

Vind jij dat het arrest van de Hoge Raad artikel 6 EVRM proof is?

1 Comment
  • Roel Kerckhoffs

    22 januari 2016 at 09:58 Beantwoorden

    De Hoge Raad zou pas echt koelbloedig zijn indien hij de conclusie van de AG gevolgd zou hebben. Gewoon opkomen voor de basale mensenrechten en niet zo zuinig achter de belangen van onze nationale overheid blijven staan. Onze overheid heeft niet zoveel op met mensenrechten van verdachten; de nadruk ligt vooral op boeven vangen. De Hoge Raad zou best wat onverschrokkener mogen zijn en bescherming bieden aan het individu, ook al wordt deze verdacht van het plegen van strafbare feiten.

Plaats een reactie