#136: Vertrouw jij op de overheid?

Fouten maken is menselijk. Maar wat als een foute mededeling wordt gedaan door de overheid? Mag een burger dan toch op de juistheid van die mededeling vertrouwen? Of moet de burger een soort natuurlijk wantrouwen koesteren tegen uitlatingen van de overheid? Over dit onderwerp is veel geprocedeerd. Uit dat gegeven alleen al blijkt dat het niet altijd even duidelijk is wanneer de overheid ‘per ongeluk’ iets fout heeft gedaan. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van een verdachte nadat, weliswaar – zo bleek achteraf – per ongeluk, een politiesepot was gestuurd naar de betrokkene. Ons inziens terecht. Het moet natuurlijk niet zo zijn dat de burger wel ter verantwoording wordt geroepen voor zijn fouten en de overheid niet. Toch slaagt een beroep op het vertrouwensbeginsel niet altijd. Wanneer mag je de overheid vertrouwen?

In het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015 draait het om een verdachte die wordt verweten iemand te hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte wordt aangehouden en in verzekering gesteld, maar de rechter-commissaris wijst de vordering tot inbewaringstelling af. Drie dagen daarna ontvangt de verdachte een brief waarin staat dat de dagvaarding voor de zitting van 12 november 2012 is ingetrokken. Een dag daarna ontvangt hij een brief waarin staat dat hij niet verder wordt vervolgd. De reden daarvoor is, blijkens die brief, dat de officier van justitie geen vervolgingsrecht (meer) zou hebben. Drie maanden laten ontvangt de betrokkene alsnog een dagvaarding om te verschijnen bij de politierechter. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Een volstrekt logische beslissing. Eind goed, al goed. Toch?

Echter, in hoger beroep is het Hof meer op de hand van het Openbaar Ministerie. Het Hof heeft blijkens het arrest van de Hoge Raad het volgende overwogen:

‘Het hof is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat een justitiabele na ontvangst van een sepotbeslissing in een zaak als de onderhavige er niet per definitie op mag vertrouwen dat het niet meer tot een vervolging zal komen, nu sprake zou kunnen zijn van een administratieve fout. Niet alleen is daarbij van belang de ernst van de zaak maar tevens dat verdachte tijdens de kort na ontvangst van die beslissing in het kader van deze strafzaak gevoerde gesprekken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering uitgebreid gesproken heeft over de strafzaak en de adviezen van deze deskundigen ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Het had ook daarom op de weg van verdachte gelegen bij het openbaar ministerie navraag te doen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte aan deze sepotbeslissing geen rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij niet verder vervolgd zou worden en verklaart het openbaar ministerie daarom ontvankelijk in de strafvervolging.’

In cassatie is tegen deze beslissing geklaagd. De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van het Hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De betrokkene heeft het hier mee te doen. Maar waar is het nou misgegaan? Was er bij de verdachte écht geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen dat de zaak niet voor zou komen? In dit geval is sprake van een psychiatrisch patiënte. Zij heeft na de sepotbrief – en daar lijkt het Hof waarde aan te hechten – gesprekken gevoerd met onder meer een psychiater en de reclassering in het kader van de strafzaak. Volgens het Hof mocht zij er daarom niet op vertrouwen dat de zaak écht geseponeerd was. Dit afgewogen tegen de ernst van de zaak. Het is ons inziens echter maar de vraag of dat voor een psychiatrisch patiënte zo duidelijk was. Zij zal immers vaker met hulpverleners spreken. Het is niet meer dan logisch dat dan wordt gesproken over de voor het ziektebeeld van de betrokkene relevante incidenten. Het zal voor de patiënte niet zonder meer aanleiding zijn te vermoeden dat de zaak wordt voortgezet. Waarom komt het Openbaar Ministerie hier dan wel weg met het maken van een fout?

Hoewel het Hof er geen aandacht aan wijdt, doet zich nog een bijzonderheid voor in deze zaak die wellicht gewicht in de schaal heeft gelegd. Op 12 oktober 2012 – dus na de ontvangst van de sepotbrief van de verdachte – heeft de advocaat een stelbrief gestuurd. In die stelbrief is het verzoek om stukken opgenomen en het verzoek om te zijner tijd een kopie van de dagvaarding toe te zenden. De advocaat was betrokken ten tijde van de inverzekeringstelling en het is waarschijnlijk dat de advocaat op de hoogte was van de sepotbrief. De verdachte heeft namelijk verklaard dat zij de dag na ontvangst van de sepotbrief bij haar advocaat is geweest om te vragen wat de brief betekende. Hij zou hebben uitgelegd dat de brief inhield dat de zaak daarmee was afgedaan en er geen zitting zou volgen. Het sturen van de stelbrief kort na dit gesprek duidt er echter op dat de advocaat daar niet zo zeker van was.

Wat vind jij? Is het Openbaar Ministerie terecht ontvankelijk verklaard? En wat is jouw ervaring met dergelijke ‘(evidente) misslagen’ van het Openbaar Ministerie? Zijn rechters geneigd het Openbaar Ministerie een tweede kans te geven?

Geen reacties

Plaats een reactie