#111: Aan wie geeft de Hoge Raad een hint?

Indien de verdediging tijdens een zitting getuigen opgeeft en de rechtbank acht het in het belang van de verdediging en/of noodzakelijk om deze getuigen te horen, dan zal de rechtbank de zaak in zijn algemeenheid verwijzen naar de rechter-commissaris. Dit gaat veelal gepaard met de toverspreuk: “en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris wenselijk of noodzakelijk acht.” Als een getuigenverhoor vervolgens aanleiding geeft om een andere getuige te horen, dan kan de rechter-commissaris hier op praktische wijze zelf in voorzien. Hoewel de wetgever het strafprocesrecht met name efficiënter wenst te maken, lijkt de Hoge Raad een stokje te steken voor deze praktische werkwijze.

In een zaak waar sprake was van een openverwijzing naar de rechter-commissaris diende de verdediging aanvullende onderzoekswensen in bij de rechter-commissaris. Deze werden gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzingen diende de verdediging namens de verdachte een bezwaarschrift in op basis van artikel 183 lid 3 Sv. De rechtbank oordeelde dat in het onderhavige geval de verdediging een bezwaarschrift kan indienen tegen een dergelijke tussentijdsbeslissing. Het enkele feit dat in artikel 316 lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dit niet is vermeld, meent de rechtbank dat dit recht is af te leiden uit het feit dat dit recht wel is toegekend voor wat betreft het vooronderzoek (artikelen 182 lid 6 en 183 lid 3 Sv). De rechtbank meent dat de situatie waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek voor de dagvaarding. Een redelijke wetstoepassing vergt aldus – volgens de rechtbank – dat dezelfde rechtsmiddelen van toepassing zouden moeten zijn.

De Procureur-Generaal ziet in deze beslissing aanleiding om drie vraagstukken voor te leggen aan de Hoge Raad en stelt cassatie in het belang der wet in. Het betreft de volgende vragen:

(1)       In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?

(2)       Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?

(3)       Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

Wat ons betreft is het antwoord op de tweede vraag het meest interessant. De Hoge Raad overweegt in dat kader het volgende:

4.2.1. De tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv door de zittingsrechter naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht.

4.2.2. Art. 181 en art. 183 Sv zijn krachtens het derde lid van art. 316 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing. Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in het tweede lid van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185 Sv geformuleerde bevoegdheid van de rechter-commissaris een regiebijeenkomst te beleggen, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

In beginsel is dit logisch. Immers verklaart artikel 316 Sv dat artikel 181 Sv en artikel 183 Sv niet van toepassing zijn. Opmerkelijk is echter wel dat nu wordt gebroken met een praktische werkwijze, te weten de openverwijzing. De vraag is wat de Hoge Raad met dit arrest wil zeggen. Is het een hint aan de wetgever om een efficiënt openverwijzingsstelstel te laten verankeren in de wet? Of is het opnieuw een hint aan de verdediging dat zij zich actief moeten opstellen in het vooronderzoek en haar onderzoek dan moet laten plaatsvinden? Indien dit laatste het geval is, dan menen wij dat ook een actief Openbaar Ministerie mag worden verwacht waarbij tijdig de processtukken worden verstrekt en zaken niet worden weg gedagvaard waardoor het onderzoek à decharge wordt gefrustreerd. De onderzoekswensen van de verdediging dienen dan ook in het vooronderzoek serieus te worden genomen.

Aan wie denk jij dat de Hoge Raad een hint geeft? En vind jij dat de verdediging voldoende middelen heeft om haar stem in het vooronderzoek te laten gelden of betekent deze uitspraak van de Hoge Raad het einde van een efficiënte rechtsgang ter terechtzitting?

1 Comment

Plaats een reactie