#109: De opkomst van beginselen

Het geluid ‘vroeger was alles beter’ hoort u weleens vanuit de advocatuur. In de tijd waar vormverzuimen floreerden, had men nog mooie verhalen aan de borreltafel. Nu is een omslag merkbaar en moeten advocaten andere kansen grijpen. Deze kansen liggen bijvoorbeeld in het materiële strafrecht. De Hoge Raad ziet nu streng toe op de bewijsmotivering van bijvoorbeeld opzet en medeplegen. Maar waar de Hoge Raad zaak na zaak casseert omdat de feitenrechters het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk hebben verklaard vanwege vormverzuimen op grond van artikel 359a Sv, lijken de feitenrechters oog te houden voor dit verschijnsel. Ons inziens terecht. Immers bestaat er tot op heden geen enkel ander mechanisme waardoor vormverzuimen in toom worden gehouden. Daarnaast komt de straffeloosheid van vormverzuimen de rechtstaat niet ten goede. Aangezien de motiveringseisen van artikel 359a Sv dusdanig hoog liggen, is een andere trend waarneembaar: beginselen.

Op de website bijzonderstrafrecht.nl werden wij geattendeerd op een uitspraak waar het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in een ontnemingszaak op grond van het vertrouwensbeginsel. In deze zaak had de verdachte geen aanzegging ontvangen van het hoger beroep met betrekking tot de ontnemingszaak, maar enkel een intrekking van het hoger beroep met daarop het parketnummer dat betrekking had op zowel de strafzaak als de ontnemingszaak. Zonder nadere specificering van deze intrekking mocht de verdachte erop vertrouwen dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak was ingetrokken. Gelet daarop heeft het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Een ander voorbeeld in de jurisprudentie waar het vertrouwensbeginsel tot niet-ontvankelijkheid heeft geleid, betreft een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. In deze zaak gaat de rechtbank in op schending van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt specifiek dat zij zich ervan bewust is dat een schending van de redelijke termijn alleen tot strafvermindering kan leiden, maar dat de verdachte er ook in de onderhavige zaak op mocht vertrouwen dat geen strafvervolging zou worden ingesteld. Immers had de verdachte meerdere keren geïnformeerd naar de stand van zaken en telkens te horen gekregen dat het proces-verbaalnummer niet bekend was.

Zelfs de Hoge Raad kent waarde toe aan het vertrouwensbeginsel. In een recent arrest van de Hoge Raad werd benadrukt dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent, maar dat zo een uitzonderlijk geval zich voordoet wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Van de beginselen van een behoorlijk procesrecht wordt veelal gebruik gemaakt in het bestuursrecht. Voor ideeën kan aldus uit die jurisprudentie worden geput. Denk bijvoorbeeld ook aan het gelijkheidsbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir of het zorgvuldigheidsbeginsel. De fiscale rechter heeft onlangs nog geoordeeld dat geen plaats is voor artikel 359a Sv in het fiscale recht, maar wel voor de algemene beginselen van procesorde. Het gebruik van bewijsmiddelen door de inspecteur is niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (vergelijk BNB 1992/306).

Wellicht dat dit arrest in omgekeerde zin aan betekenis kan winnen in het strafrecht. Wat vind jij dat wij mogen verwachten van een behoorlijk handelend Openbaar Ministerie?

Geen reacties

Plaats een reactie