#019: Zal David vs. Goliath dan toch een sprookje worden?

In week 23 hebben wij op vaklunch.nl een onderdeel van de conclusie van advocaat-generaal Wattel van 24 mei 2013 behandeld. De staat houdt op de zaak betrekking hebbende stukken achter om de identiteit van hun tipgever te beschermen, die informatie heeft gegeven aan de Belastingdienst over Nederlands ingezetenen die een buitenlandse bankrekening zouden hebben, met de mogelijke gevolgen van dien. De conclusie van Wattel is echter op meer fronten interessant en geeft tevens een goed inzicht in hoe het beginsel ‘equality of arms’ in Nederland ver te zoeken is. Indien een belastingplichtige tegen de staat procedeert dan moet deze een zwaard met een pollepel bestrijden. De conclusie van Wattel is hier een mooi voorbeeld van. Twee partijen willen informatie van elkaar, de ene moet een dwangsom betalen de ander gaat “vrijuit”.

De Belastingdienst is gehouden om alle op een belastingzaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Ingevolge artikel 8:29 lid 1 AWB mag de Belastingdienst slechts wegens gewichtige redenen overlegging van bepaalde stukken weigeren, dan wel verzoeken dat uitsluitend de rechter kennis zal nemen van bepaalde (passages uit) stukken. In de onderhavige zaak heeft de Belastingdienst voor bepaalde stukken dan wel voor passages van stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 lid 1 AWB. Dit alles om de identiteit van de ‘anonieme tipgever’ te beschermen. De geheimhoudingskamer heeft op 7 februari 2012 dit verzoek van de Belastingdienst afgewezen. Dit oordeel brengt volgens de rechter en Wattel echter geen verplichting met zich mee voor de Belastingdienst om de stukken te overleggen.

In een dergelijk geval is sprake van de in artikel 8:31 AWB beschreven situatie dat een partij niet voldoet aan de verplichting om (bepaalde) stukken over te leggen. Het is dan vervolgens aan de rechter om te doen wat hem geraden voorkomt. Wattel meent dat het in die situatie niet past dat de civiele rechter de Belastingdienst op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht om de geheimgehouden passages te openbaren. Daar staat tegenover dat belastingplichtigen geen stukken mogen achterhouden en wel gedwongen mogen worden onder verbeurte van een dwangsom stukken te overleggen. Maar de situatie is zelfs nog schrijnender.

Op 31 oktober 2011 heeft de fiscus ex art. 52a AWR aan de belastingplichtigen een informatiebeschikking opgelegd. De belanghebbenden hebben tegen deze beschikking bezwaar gemaakt en deze bezwaarschriftprocedure loopt nog. Waarom is de informatiebeschikking ex artikel 52a AWR ingevoerd? Artikel 52a AWR biedt belastingplichtigen rechtsbescherming tegen – in de pers en literatuur genoemd – ‘rupsje nooit genoeg’. De wetgever heeft het nodig gevonden om belastingplichtigen de kans te geven om informatieverzoeken van de Belastingdienst voor te leggen aan de belastingrechter om zo na te gaan of de informatieverzoeken van de Belastingdienst niet onredelijk of disproportioneel zijn. Deze rechtsvraag ligt in de onderhavige situatie nog voor aan een fiscaal deskundige rechter, ons inziens de enige rechter die dit kan beoordelen.

De civiele rechter doorkruist in de onderhavige zaak het oordeel van de fiscaal deskundige rechter over de vraag of de informatiebeschikking rechtmatig is opgelegd, door daarop niet te wachten. Als de fiscale rechter nu tot het oordeel zal komen dat de informatiebeschikking onrechtmatig is opgelegd en de fiscaal ondeskundige rechter al een dwangsom heeft opgelegd aan de belastingplichtige om de informatie te verstrekken dan ontstaat een uitermate rare en bovendien ongewenste situatie.

Geconcludeerd kan aldus worden enerzijds, dat terwijl de rechter nog moet beslissen op de vraag of de belastingplichtigen überhaupt moeten voldoen aan het informatieverzoek van de Belastingdienst gelijktijdig wel een dwangsom kan worden opgelegd om het informatieverzoek af te dwingen, terwijl de Belastingdienst anderzijds wegkomt met het niet verstrekken van informatie, ook al staat in rechte vast dat het op de zaak betrekking hebbende stukken betreft.

Dit verschil is misschien makkelijk uit te leggen doordat het wettelijk systeem de Belastingdienst de mogelijkheid biedt om de civiele rechter te verzoeken om informatie af te dwingen middels een dwangsom ex artikel 52a lid 4 AWR en belastingplichtigen niet. Dit toont echter aan dat het beginsel van de ‘equality of arms’ niet is gewaarborgd in ons Nederlandse rechtssysteem. De belastingplichtigen hebben minder middelen om hun zaak te bepleiten dan de Belastingdienst. Daarenboven wordt de rechtsbescherming die belastingplichtigen recent hebben verkregen om onrechtmatige verzoeken van de Belastingdienst middels een informatiebeschikking voor te leggen aan de rechter uitgehold, doordat de civiele rechter het oordeel niet afwacht. Zo wordt het wel erg makkelijk voor Goliath om van David te winnen. Wij hopen dat de Hoge Raad wel waarde toekent aan het beginsel van ‘equality of arms’ en een  “steentje” bijdraagt aan het uitbannen van deze rechtsongelijkheid.

Wat denk jij, zal de Hoge Raad gelijke middelen aan de burger toekennen of zal dit stof worden voor de Europese Hof voor de Rechten van de Mens?

2 Comments

Plaats een reactie