#221: Een verifieerbare verklaring en de onschuldpresumptie

Wij brengen graag de uitspraak van het EHRM Zschüschen v. Belgium onder de aandacht. Een Belgische zaak met een Nederlands tintje. De Nederlandse heer Zschüschen woont in Amsterdam. Hij is echter in België veroordeeld voor witwassen. Het arrest handelt over de vraag of het uitblijven van een verklaring in geval van een verdenking van witwassen dat wordt gebruikt voor het bewijs in strijd is met de onschuldpresumptie.

De zaak ligt als volgt. Meneer Zschüschen opent in 2003 een Belgische bankrekening en stort daar € 75.000,- op middels vijf stortingen. Deze transacties worden door de bank gemeld bij het meldpunt voor ongebruikelijke transacties, op basis waarvan een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart. Meneer Zschüschen wordt in dat kader gevraagd naar de herkomst van het geld. Hij verklaart dat hij dit geld heeft verdiend met niet inkomsten maar weigert de naam van zijn werkgevers door te geven. De Belgische rechtbank veroordeelt de heer Zschüschen omdat hij geen concrete verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld, hij een strafblad heeft met drugs gerelateerde delicten en er geen inkomen van hem bekend is in Nederland. Bij het EHRM ligt de vraag voor of het uitblijven van een verklaring voor het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht om te zwijgen. Daarnaast is de vraag aan de orde of sprake is van strijd met artikel 6 EVRM omdat de bewijslast als het ware wordt omgedraaid omdat de heer Zschüschen immers in wezen moet bewijzen dat geen sprake is van crimineel geld.

Het EHRM oordeelt dat er voldoende indirect bewijs is om een verklaring te verlangen van de verdachte over de herkomst van het geld. Als de verdachte dan geen verklaring geeft  mag het uitblijven van deze verklaring worden gebruikt voor het bewijs. Het EHRM benadrukt daarbij dat een beroep op het zwijgrecht op zichzelf niet als bewijs mag worden gebruikt, maar dat er in de onderhavige zaak voldoende andere indirecte bewijsmiddelen waren. Het uitblijven van een verklaring had deze omstandigheden alleen maar ondersteund volgens het Hof. Verder oordeelt het Hof dat het feit dat het gronddelict niet bewezen hoeft te worden geen omkering van de bewijslast betekent. De onschuldpresumptie blijft aldus in tact.

De onschuldpresumptie is een grondrecht en is opgenomen in verschillende internationale en Europese verdragen. In artikel 6 lid 2 EVRM is de onschuldpresumptie concreet neergelegd. De onschuldpresumptie schrijft voor dat de bewijslast bij de vervolgende instantie ligt. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt echter ook dat de onschuldpresumptie niet inhoudt dat er aan het uitblijven van een verklaring van de verdachte nooit voor het bewijs mag worden gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het arrest Murray tegen het Verenigd Koninkrijk waar het EHRM ook in het onderhavige arrest naar verwijst. Uit het arrest Telfner tegen Oostenrijk volgt dat er in dat geval sprake moet zijn van een ‘convincing prima facie’ zaak.

Het ligt dus in eerste instantie op de weg van de verdediging om kritisch te zijn op het indirecte bewijs en de vraag of dit voldoende is om een verifieerbare verklaring van de verdachte te vragen. Is dit het geval en blijft een verifieerbare verklaring uit dan heeft het EHRM opnieuw bevestigd dat het gebruik hiervan niet in strijd is met artikel 6 EVRM.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie